UGent

Woordenboek

A

Aangeboren

Synoniem: congenitaal.
Antoniem: niet aangeboren, verworven, aangeleerd.
In een medische context betreft het aangeboren afwijkingen, aandoeningen of ziekten die erfelijk bepaald zijn. Ze zijn als het ware voorgeprogrammeerd in het DNA, het erfelijk materiaal. Voorbeelden: Downsyndroom, hazenlip, klompvoet, spina bifida (open rug).
In meer algemene context betreft het eigenschappen of kenmerken die genetisch bepaald zijn.
Opmerkingen:

  1. Soms komt een aangeboren ziekte pas tot expressie onder invloed van andere factoren die niet aangeboren zijn. De aanleg voor een ziekte is dan aangeboren, maar of de ziekte zich werkelijk gaat manifesteren, hangt van andere factoren af.
  2. Bij tal van eigenschappen (zoals bijvoorbeeld intelligentie) spelen zowel aangeboren (erfelijke), als niet-erfelijke factoren een rol.
Aanpassing

Deze term verwijst in de biologie naar veranderingen in de eigenschappen van een organisme waardoor het beter in staat is om te overleven en zich voort te planten in een bepaalde leefomgeving. Daarbij gaat het meestal om eigenschappen betreffende de structuur (anatomie, morfologie), de fysiologie, of het gedrag van het organisme. Aanpassingen of adaptaties spelen een grote rol in de evolutie.
Aanpassingen kunnen ontstaan doordat er nieuwe eigenschappen tot ontwikkeling komen, of doordat bestaande eigenschappen veranderen (zie: exaptatie), of doordat bestaande eigenschappen verdwijnen.
Voorbeeld:. De evolutie van walvissen uit voorouders die op het land leefden. Het verlies van poten is hier een adaptatie aan het leven in de zee.

Zie ookAdaptatie

Abiogenese

Het ontstaan van levende materie uit niet-levende materie. Dit betreft de beginperiode van de geschiedenis van het leven op aarde, de geochronologische periode tussen de vorming van de planeet (ca. 4,5 miljard jaar geleden) en het eerste verschijnen van levende organismen (ca. 3 miljard jaar geleden). Het uitgangspunt daarbij is dat het eerste ‘leven’ ontstaan moet zijn als gevolg van chemische (of geochemische) en fysische processen.
strong>Meer informatie: http://en.wikipedia.org/wiki/Abiogenesis

Zie ookIs het ontstaan van leven wetenschappelijk verklaard?

Absolute datering

(synoniem: absolute ouderdomsbepaling)
de zo naukeurig mogelijke bepaling van de ouderdom van een fossiel of een archeologische vondst (of vindplaats). Een absolute datering geschied door middel van speciale technieken die berusten op chemische of fysische eigenschappen van het gevonden object. Voorbeelden hiervan zijn radiometrische dateringstechnieken en thermoluminescentie.
Naast absolute dateringen gebruikt men ook relatieve dateringen, waarbij men de ouderdom van een vondstlaag vergelijkt met de ouderdom van andere (vondst)lagen (zie ook: stratigrafie).

Zie ookWat is radiometrisch dateren?

Adaptatie

Een erfelijke eigenschap van een organisme dat zijn vermogen om te overleven en zich voort te planten binnen zijn omgeving, verbetert. De term 'adaptatie' wordt ook gebruikt om het proces van genetische verandering te beschrijvenbinnen een populatie onder invloed van natuurlijke selectie.

Zie ook

Adaptieve radiatie

Begrip uit de evolutiebiologie. Uit een gemeenschappelijke vooroudersoort ontstaan verschillende nieuwe soorten die telkens een andere ecologische niche innemen. De term wordt soms ook toegepast voor hogere niveaus dan de soort, zoals in 'de adaptieve radiatie van de zoogdieren'.
Voorbeeld: de verschillende ‘darwinvinken’ op de Galapagosarchipel, die allen nakomelingen zijn van één enkele vooroudersoort.

Agnotologie

Concept geïntroduceerd door Robert N. Proctor. (Agnotology. The Making and Unmaking of Ignorance. Ed.: Robert N. Proctor & Londa Schiebinger, Stanford University Press, 2008) De productie en verspreiding van onwetendheid (ignorantie). Onwetendheid is niet alleen te beschouwen als een omissie of een ‘lacune’, maar ook als het resultaat van een actief productieproces. Onder meer heeft dit te maken met geheimhouding, onverschilligheid, censuur, bewuste disinformatie, geloofsovertuigingen en religieuze principes.

Allel

Een van de mogelijke vormen die een gen kan aannemen. Bijvoorbeeld, bij genen die de kleur van de zaden bij erwten bepoalen vindt men één allel dat groene zaden produceert, en een ander allel dat gele zaden producert. In een diploïde cel zijn er meestal twee allelen van elk gen (elk geërfd van één van de ouders). Binnen een populatie kunnen veel verschillende allelen bestaan van een gen.

Allometrie

De relatie tussen de grootte van een organisme en de grootte van een bepaald deel ervan. Zo bestaat er een allometrische relatie tussen hersengrootte en lichaamsmassa, zodat (in dit geval) dieren met een grotere lichaamsmassa meestal ook een groter brein hebben. Men kan allometrische relaties bestuderen tijdens de groei van een enkel organisme, tussen verschillende organismen binnen een soort, of tussen individuen van een verschillende soort.

Allopatrisch

Allopatrische populaties leven in aparte gebieden en zijn in reproductief opzicht volledig van elkaar gescheiden (ze ontmoeten elkaar nooit).

Zie ookAllopatrische speciatie

Allopatrische speciatie

Soortvorming die ontstaat wanneer twee of meer populaties van één soort geografisch van elkaar worden gescheiden. Daardoor kunnen ze zich niet meer met elkaar voortplanten, en groeien de subpopulaties uit elkaar door genetische drift, natuurlijke selectie en andere evolutionaire factoren. Op den duur ontstaan op deze wijze nieuwe soorten.

Zie ookAdaptieve radiatie

Altruïsme

Altruïsme (of onbaatzuchtigheid) is het tegendeel van egoïsme (zelfzucht). In biologische context verwijst altruïsme naar gedrag dat degene die het verricht iets kost en degene die het ‘ontvangt’ iets oplevert, onafhankelijk van motivatie of intentionaliteit.
Een organisme dat altruïstisch gedrag vertoont, verhoogt de overlevingskansen van anderen ten koste van de eigen overlevingskansen.
Vroeger dacht men dat alleen mensen in staat zouden zijn tot altruïsme, maar dat is niet juist: bij tal van andere diersoorten komt ook altruïstisch gedrag voor.

Zie ook

Amfibie

Amfibieën zijn de klasse van gewervelden die kikkers, padden en salamanders omvat. Zij evolueerden in het Devoon, ongeveer 370 miljouen jaar geleden, als de eerste gewervelden die aan land gingen. Zij bezitten een vochtige, ongeschubde huid, die naast de longen wordt gebruikt bij het uitwisselen van gassen. Hun eieren zijn zacht en kwetsbaar voor uitdroging. De voortplanting vindt meestal plaats in het water. Als larven zijn amfibieën aquatisch, en bezitten zij kieuwen om te ademen; zij ondergaan een metamorfose om tot hun volwassen vorm uit te groeien. De meeste amfibieën leven in vochtige omgevingen, op alle continenten, behalve op Antarctica.

Aminozuur

Eiwitten (proteïnen), de bouwstenen van het leven, zijn opgebouwd uit welbepaalde sequenties van aminozuren. Er zijn twintig basis aminozuren in de eiwitten waaruit levende wezens bestaan. De specifieke eigenschappen van een eiwit worden bepaald door de volgorde van zijn aminozuren.

Amnioten

Een groep waarmee men reptielen, vogels en zoogdieren aanduidt. Specifiek voor deze groep is dat alle leden ervan zich ontwikkelen als een embryo die omvat is in een membraan (omhulsel) dat amnion wordt genoemd. Het amnion omvat het embryo met een waterachtige substantie, waarschijnlijk een adaptatie om zich op het land voort te planten.

Anagenese

Evolutie tijdens dewelke een oude soort in zijn geheel verandert in een nieuwe, afstammende soort zodat de voorouder omgevormd wordt tot de afstammeling.

Analoge structuren

Structuren in verschillende soorten die er hetzelfde uitzien of gelijkaardige functies vervullen (zoals de vleugels van vlinders en vleugels van vogels). Zij hebben een convergente evolutie doorgemaakt, maar stammen niet af van gelijkaardige embryonale structuren, noch stammen zij af van structuren die reeds voorkwamen bij gemeenschappelijke voorouders. In het voorbeeld van vlinders en vogels: de gemeenschappelijke voorouder van de huidige vlinder- en vogelsoorten had geen vleugels. Let wel dat de recente ontdekking van diepe genetische homologieën dit debat opnieuw heeft doen oplaaien (e.g., hoewel de ogen van mensen en fruitvliegen niet anatomisch homoloog zijn, ligt aan de basis van beiden het PAX6 gen). Analoge structuren contrasteren met homologe structuren.
 

Zie ookAnalogie

Analogie

In de biologie zegt men dat twee structuren analoog zijn als ze een identieke (of vergelijkbare) functie hebben, maar een verschillende evolutionaire afkomst. Meestal is er dan sprake van convergente evolutie.
Voorbeeld: De ogen van inktvissen, mensen en vliegen zijn analoge organen omdat ze dezelfde functie vervullen, namelijk zien.

Zie ook

Anatomie
  1. De structuur van een organisme of van één van zijn onderdelen
  2. De wetenschappelijke discipline die dergelijke structuren bestudeert
Anaximander

Een van de Ionische natuurfilosofen. Hij leefde in Milete in de 6de eeuw voor onze jaartelling. Hij verklaarde de oorsprong van de biodiversiteit door een soort evolutieproces: De aarde was oorspronkelijk vloeibaar. Door verdamping werd de aarde droger en ontstonden er vissen, de allereerste levende wezens. Alle andere dieren zijn dan uit de vissen ontstaan, door een transformatieproces dat iets weg heeft van evolutie.
De mens is niet rechtstreeks uit vissen ontstaan, maar uit andere dieren die wel van vissen afkomstig zijn. Anaximander werkte weliswaar geen evolutietheorie uit, maar omdat hij de mogelijkheid opperde dat diersoorten uit elkaar zijn ontstaan, geldt hij toch als een wegbereider van de moderne biologie.

Ancestrale homologie

Een homologie die evolueerde voor de gemeenschappelijke voorouder van een aantal soorten, en die ook aanwezig is bij soorten buiten deze groep soorten.

Zie ookAnalogie

Antropocentrisch

De mens als middelpunt (of maatstaf) nemend van de natuur, het bestaan of het denken.

Zie ookEcocentrisme

Antropoïden

De groep primaten die apen en mensapen (mensen inbegrepen) omvat.

Antropologie

Antropologie betekent studie van de mens. Deze studie houdt zich bezig met mensen als biologische organismen en met mensen als culturele wezens. Men onderscheidt meestal de fysische antropologie (of antropobiologie), gericht op lichamelijke kenmerken en eigenschappen, en de culturele (of sociale) antropologie, soms ook etnologie genaamd.

Antropomorf

Lijkend op de mens, vermenselijkt. Wanneer menselijke eigenschappen of gedachten worden toegeschreven aan dieren, planten, dingen of goden spreekt men van antropomorfisme.
Voorbeeld:Het edele paard, de trouwe aardappel, de wrede zee, een moederlijke godin.
Het begrip antropomorfisme speelt een belangrijke rol in de studie van het gedrag van dieren: de vraag is dan of bepaalde interpretaties niet berusten op projectie van menselijke gevoelens of intenties, en of dat wel of niet legitiem is.

Zie ookAntropocentrisch

Apomorfie

Een apomorfie is een nieuw geëvolueerd kenmerk waardoor een soort (of een taxonomische groep) afwijkt van zijn voorouders.
Een apomorfie is het tegengestelde van een plesiomorfie, een oud kenmerk dat overgenomen is van de voorouders van de soort (of de taxonomische groep).

Archaeopteryx

Uitgestorven vogelgeslacht (of vliegende dinoasauriër) dat een van de belangrijkste bekende fossiele overgangsvormen vormt tussen niet-vliegende "reptielen" en vogels. Het fossiel werd in 1861 beschreven en vormde een belangrijke ondersteuning voor de evolutietheorie van Charles Darwin die in 1859 was gepubliceerd.
Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Archaeopteryx

Zie ook

archeologie

De wetenschappelijke studie van de menselijke geschiedenis en prehistorie door het opgraven van sites, en het onderzoek van stoffelijke overblijfselen, waaronder graven, werktuigen, aardewerk en andere artefacten.

archetype

De oorspronkelijke vorm of lichaamsplan waaruit een groep organismen is geëvolueerd.

Aristoteles

Griekse filosoof uit de 4de eeuw voor onze jaartelling. Hij geldt als een van de grondleggers van de biologie en van de Westerse filosofie. Aristoteles definieerde de mens als een dier dat streeft naar kennis: ‘Alle mensen streven van nature naar kennis. Dit blijkt onder meer uit het feit dat we houden van zintuiglijke waarnemingen.’ Aristoteles was misschien de grootste bioloog uit de oudheid. Hij legde een natuurhistorische collectie aan en schreef verschillende zoölogische boeken over de lichaamsdelen van dieren, over voortplanting en ontwikkeling, over voortbeweging, en ook over fysiologische onderwerpen zoals ademhaling. Zijn visie op de biodiversiteit was echter niet transformistisch zoals bij Anaximander: Aristoteles ging er van uit dat soorten onveranderlijk zijn (fixisme).

Zie ookAnaximander

artificiële selectie

Zie kunstmatige selectie.

Zie ookkunstmatige selectie

Australopithecus

Australopithecus is een uitgestorven geslacht (genus) van hominiden (mensachtigen) dat tussen pakweg 4,5 en 2 miljoen jaar geleden in het oosten en zuiden van Afrika voorkwam. Ze zijn bekend door fossiele vondsten. De naam betekent ‘zuidelijke aap’ en is samengesteld uit het Latijnse woord australis (zuidelijk) en het Griekse pithecos (aap).
De eerste vondst van een Australopithecus werd beschreven door Raymond Dart in 1925, en betrof een fossiel uit Taung in Zuid-Afrika: het ‘Kind van Taung’ dat tot de soort Australopithecus africanus wordt gerekend.
Er zijn behalve A. africanus nog verschillende andere Australopithecus-soorten bekend: A. anamensis, A. afarensis, A. sediba, A. robustus en A. boisei. Sommige paleoantropologen zijn van mening dat de twee laatste soorten, A.robustus en A. boisei, eigenlijk in een ander geslacht van hominiden moeten worden geplaatst, namelijk het geslacht Paranthropus.

Zie ook

B

Biodiversiteit

De verscheidenheid (diversiteit) aan levensvormen op Aarde. Het is een zeer breed begrip: biodiversiteit heeft betrekking op alle taxonomische niveaus (soort, geslacht, familie enz. én subsoort, variëteit, ras enz.) en ook op leefgemeenschappen en ecosystemen. Het betreft hier zowel hedendaagse levensvormen en ecosystemen als die uit het verleden.

Biogenetische grondwet

Synoniemen: biogenetische wet; recapitulatietheorie; embryologisch parallellisme. De biogenetische grondwet wordt meestal als volgt geformuleerd: ‘de ontogenie herhaalt (recapituleert) de fylogenie.’
Strikt genomen betreft het hier geen wet maar veeleer een theorie of een hypothese die berust op de waarneming dat de embryonale ontwikkeling van (individuele) dieren fasen doorloopt die in zekere mate de fylogenie van de soort weerspiegelen.
Voorbeeld: de staart van embryo’s van vertebraten.
De biogenetische grondwet werd als zodanig geformuleerd door de Duitse evolutiebioloog Ernst Haeckel. De actuele betekenis voor de evolutietheorie is echter gering omdat het stoelt op een te simplistische opvatting van evolutie, namelijk als een een- en rechtlijnig proces terwijl men tegenwoordig een niet rechtlijnig model met talrijke vertakkingen voor ogen heeft.

Zie ookWie was Ernst Haeckel?

Biologie

Natuurwetenschappelijke studie van levende organismen door middel van observatie en experiment. De term biologie werd begin 19de eeuw geïntroduceerd door Lamarck en Treviranus. Voor die tijd werd de term natuurlijke historie gebruikt, en deze aanduiding wordt nog gebruikt om de zuiver beschrijvende, enkel op observatie (en dus niet op experimenteel onderzoek) berustende biologie aan te duiden. Tegenwoordig raken de termen biowetenschap of biowetenschappen en de Engelse uitdrukkingen life science en life sciences in zwang.
Over de precieze afbakening (demarcatie) van de biologie ten opzichte van andere wetenschappen rijzen soms meningsverschillen op aangaande de vraag in hoeverre de menselijke soort object van de biologie kan zijn. De menselijke ‘geest’ of ‘psyche’, en meer bepaald het menselijk gedrag, zowel individueel als collectief, alsmede de menselijke emoties en de menselijke verstandelijke vermogens maken namelijk ook deel uit van het onderzoeksveld van sociologen, psychologie, etnologie (culturele antropologie) en tal van geesteswetenschappers.

Biologisch soortbegrip

Organismen behoren tot een en dezelfde soort wanneer ze zich onderling seksueel voortplanten (en daarbij vruchtbare nakomelingen produceren).
Opmerkingen:

  1. Dit biologisch soortbegrip is meer een vuistregel dan een absolute definitie: er zijn dieren die zich normaal nooit ontmoeten (bijvoorbeeld: tijger en leeuw) maar die door middel van kunstmatige inseminatie levensvatbare jongen kunnen produceren. Omdat dit in de vrije natuur nooit voortkomt, blijft men van aparte soorten spreken.
  2.  Dit soortbegrip is (om begrijpelijke redenen) van weinig nut in de paleontologie. Paleontologen onderscheiden soorten op basis van morfologische kenmerken.
Zie ook

Biomassa

De totale hoeveelheid (massa) levende materie in een bepaald gebied.

Biston betularia

Nederlandse benaming: berkenspanner of peper-en-zoutvlinder.
Nachtvlinder met een vleugelspanwijdte van 3,5 tot 6.0 cm. Er zijn twee fenotypen, een lichtgekleurde met zwarte spikkels, en een donkergekleurde (zwarte).
Deze nachtvlinder wordt vaak genoemd om natuurlijke selectie te illustreren. In een industriezone in Engeland werden er vóór de industrialisatie meer lichte dan donkere varianten van deze nachtvlinder aangetroffen. Tegen hun natuurlijke achtergrond (lichtgekleurde schors van berkenbomen) vielen de lichte varianten veel minder snel op dan de donkere, en liepen daarom minder risico te worden opgegeten door vogels.
Dan kwam er industrie die veel roet uitstootte waardoor het schors van de berkenbomen zwart werd. Nu waren de rollen omgekeerd: de lichte vlinders waren in het nadeel en de zwarte in het voordeel. Na verloop van tijd waren er veel meer donkere dan lichte varianten.
In recente tijd, nu er geen roet meer wordt uitgestoten, keren de verhoudingen weer terug naar de oorspronkelijke toestand: meer lichte dan donkere vlinders.
http://www.youtube.com/watch?v=LyRA807djLc

Bottleneck

Engelse term voor flessenhals. In de evolutiebiologie en de populatiegenetica heeft het de betekenis van een plotse, significante afname van de grootte van een bepaalde populatie.
In de menselijke ontstaansgeschiedenis heeft, naar men aanneemt, een enorme vulkaanuitbarsting een bottleneck veroorzaakt in de menselijke populatie, circa 70.000 jaar geleden. Door de ecologische gevolgen van die vulkaanuitbarsting was de menselijke bevolking toen wereldwijd gereduceerd tot misschien niet meer dan 15.000 mensen.
http://www.youtube.com/watch?v=bqpOTJAAwBU

Buffon

Georges-Louis Leclerc, graaf van Buffon (1707-1788). Franse natuuronderzoeker, bekend door zijn monumentaal werk Histoire naturelle, générale et particulière, dat 36 delen beslaat die van1746 tot 1788 zijn verschenen. Het laatste deel verscheen postuum. Buffons oorspronkelijke opzet was een encyclopedisch overzicht van de drie rijken van de natuur: mineralen, dieren en planten, maar aan de planten is hij niet meer toe gekomen. Buffon werd bijgestaan door verschillende andere geleerden, en vooral door de vergelijkende anatoom Louis Jean-Marie Daubenton.
Buffons Histoire naturelle werd in verschillende talen vertaald en heeft een grote invloed gehad op generaties natuuronderzoekers, en met name op de zoöloog Jean-Baptiste Lamarck (1744-1829) en de paleontoloog Georges Cuvier (1769-1832).
Buffon was een belangrijke wegbereider van de moderne biologie en geologie omdat hij het bijbelse scheppingsverhaal als wetenschappelijk irrelevant opzij schoof, en stelde dat de geschiedenis van de aarde heel anders is verlopen en veel langer heeft geduurd. Om de ouderdom van de aarde te achterhalen experimenteerde Buffon met een ijzeren bol die hij roodgloeiend liet verhitten om vervolgens na te gaan hoe lang het duurde tot die weer was afgekoeld. Uit de verkregen meetresultaten extrapoleerde hij dat de aarde circa 75.000 jaar oud moest zijn.
Buffon was ook een wegbereider van de biogeografie: hij stelde dat iedere streek gekenmerkt is door een eigen kenmerkende flora en fauna (wet van Buffon).
Buffon was een transformist: hij stelde dat soorten niet onveranderlijk zijn, zoals men toen algemeen werd aangenomen, maar veranderlijk. Dat geldt ook voor de biodiversiteit: in de loop van de tijd verandert de samenstelling van de flora en fauna in een gebied. Door zijn transformistische zienswijze kan Buffon worden opgevat als een voorloper van Lamarck en Darwin.
Buffon bestudeerde de anatomische en morfologische overeenkomsten tussen mensen en apen. Hij verwierp echter de hypothese van zijn Schotse tijdgenoot Monboddo (James Burnett, Lord Monboddo; 1714-1799) dat deze overeenkomsten op biologische verwantschap wijzen en ook op de mogelijkheid dat mensen uit apen zijn voortgekomen en als getransformeerde apen kunnen worden beschouwd.
Met Carolus Linnaeus (1707-1778), een andere beroemde tijdgenoot, kon Buffon niet opschieten. Hij had veel kritiek op de taxonomie van Linnaeus die (naar men zegt) wraak nam door de (weinig fraaie) gewone pad de wetenschappelijke naam Bufo bufo te geven, een afleiding van de naam Buffon).
Buffons Histoire naturelle staat op internet: http://www.buffon.cnrs.fr/

Buidelwolf

Thylacinus cynocephalus, ook Tasmaanse tijger genoemd, is een in uitgestorven diersoort; het laatste exemplaar stierf in een dierentuin in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Zijn leefgebied was Australië en Nieuw-Guinea. Vroeger, voordat de mens daar kwam, was het een van de grotere vleesetende buideldieren in Australië.
Engelse benaming: Thylacine.
Meer informatie: http://www.youtube.com/watch?v=6vqCCI1ZF7o

Zie ookEen Zuid-Amerikaanse voorouder voor alle buideldieren

Burgess Shale

Geologische formatie uit het Cambrium, in het westen van Canada. Deze formatie is rijk aan fossielen die van uitzonderlijke kwaliteit zijn omdat ook zachte lichaamsdelen zichtbaar zijn.
Meer informatie:

 

C

Carnivoor

Vleeseter. Voorbeeld: wolf, leeuw.

Celtheorie

Synoniem: Algemene celtheorie.
De celtheorie stelt dat cellen de structurele en fysiologische basiseenheden zijn van alle levende organismen, en dat nieuwe cellen steeds worden gevormd uit reeds bestaande cellen.
Deze theorie die inmiddels zeer overtuigend is bewezen, is een van de grondslagen van de biologie en vormt een krachtige ondersteuning van de evolutietheorie.
De Franse natuuronderzoeker Henri Dutrochet (1776-1847) publiceerde in het begin van de 19de eeuw een eerste versie van een fundamentele celtheorie. Voortbouwend op zijn werk ontwikkelden vervolgens Theodor Schwann (1810-1882), Matthias Jakob Schleiden (1804-1881), en Rudolf Virchow (1821-1902) tussen 1839 en 1858 de algemene celtheorie in haar huidige vorm.
Meer informatie: http://www.bio.miami.edu/~cmallery/150/unity/cell.text.htm

Zie ookVroegste meercellige levensvorm ouder dan eerder aangenomen

Clade

Term uit de cladistiek. Synoniem: monofyletische groep.
Een clade is een groep organismen bestaande uit een voorouder en zijn evolutionaire afstammelingen. Claden kunnen op verschillende manieren worden gedefinieerd, afhankelijk van de gekozen voorouder en van de eigenschappen welke men vergelijkt. Strikt genomen staat het benoemen van een clade gelijk aan het formuleren van een hypothese over de evolutionaire relaties tussen de organismen die men tot de betreffende clade rekent.

Zie ook

Cladistiek

Cladistiek is een evolutiebiologische manier om organismen in te delen. Daarbij gaat men uit van (veronderstelde) evolutionaire verwantschappen. De klassieke taxonomie (die nog uit de tijd vóór Darwin stamt) gaat uit van overeenkomsten in de morfologie en de anatomie, zonder speciaal te letten op evolutionaire relaties.
http://www.youtube.com/watch?v=3DxNwzzjm_4

Zie ook

Cladogenese

Evolutie tijdens dewelke een dochtersoort zich afsplitst van een populatie van de oudere soort, waarna zowel de oudere als de jongere soort naast elkaar blijven bestaan. Merk op dat dit een afstammeling toelaat samen te bestaan met een voorouder.

Cladogram

Grafische voorstelling (“stamboom”) van de evolutionaire verwantschappen tussen groepen organismen (meestal soorten) die is gebaseerd op een cladistische analyse. Daarbij wordt (met behulp van computer en zo groot mogelijke databestanden) een stamboom berekend op basis van het kleinste aantal evolutionaire stappen die nodig zijn om een evolutionair verband aannemelijk te maken. De gekozen data en de hoeveelheid data zijn bepalend voor het resultaat: er kunnen dus met verschillende datasets verschillende cladogrammen uit de bus komen. Een cladogram moet derhalve altijd worden opgevat als een wetenschappelijke hypothese over het evolutionaire verband tussen groepen organismen.

Zie ook

Coëvolutie

Gekoppelde evolutie van twee verschillende soorten die met elkaar in wisselwerking staan. Een verandering bij de ene soort wekt een aanpassing op bij de andere. Het betreft dan complementaire aanpassingen (co-adaptatie) zoals bij symbiose, of antagonistische aanpassingen zoals bij de ‘evolutionaire wapenwedloop’ tussen roofdieren en hun prooien.
Voorbeeld: De co-evolutie van de vorm van de monddelen van bijen en de vorm van bepaalde bloemen.

Competitieve exclusie

Synoniem: wederzijdse uitsluiting, of regel van Gause. Wanneer twee verschillende soorten in dezelfde streek voorkomen en identieke ecologische behoeften hebben (d.w.z. wanneer ze dezelfde niche exploiteren), zal een van de twee na verloop van tijd verdwijnen. Deze ecologische vuistregel is vernoemd naar de Russische bioloog Gause.

Convergente evolutie

Wanneer dezelfde (of bijna dezelfde) kenmerken optreden bij groepen organismen die niet nauw met elkaar verwant zijn, spreekt men van convergente evolutie. De op elkaar lijkende kenmerken zijn analoge adaptaties. Het feit dat talrijke buideldieren van Australië sterke gelijkenissen vertonen met placentale zoogdieren elders ter wereld wordt verklaard door convergente evolutie.
Voorbeeld: vleugels van vogels en van vleermuizen.
Voorbeeld: oog van vertebraten en van inktvisachtigen.

Coöperatieve broedzorg

Broedzorg verwijst naar het verschijnsel dat bij talrijke diersoorten de jongen verzorgd worden door beide ouders of een van de ouders. Van coöperatieve broedzorg is er sprake wanneer bij de broedzorg ook andere individuen betrokken zijn dan de ouders. Voorbeeld: Mensen vertonen coöperatieve broedzorg, want mensenbaby's worden met vereende krachten gevoed, beschermd en grootgebracht. Daar werken grootmoeders, tantes, zusters en vele anderen aan mee. Zo krijgt de moeder de kans om haar conditie weer op peil te brengen – een voordeel voor een eventuele nieuwe zwangerschap. Volgens de primatologe Sarah Blaffer Hrdy (en anderen) heeft deze vorm van collectieve broedzorg een belangrijke rol gespeeld in de evolutie van de mens.

Zie ookEen kind heeft vele moeders

D

Darwinius (Darwinius masillae)

Uitgestorven primatensoort uit het Eoceen. De soortnaam is gebaseerd op een fossiel dat in 1983 is gevonden in een beroemde fossielenvindplaats bij Messel, Duitsland (Groeve Messel). Het fossiel, dat de roepnaam ‘Ida’ kreeg, is ongeveer 47 miljoen jaar oud. De geslachtsnaam Darwinius werd in het darwinjaar 2009 toegekend als eerbetoon aan Charles Darwin. De soortnaam masillae verwijst naar de vindplaats.
De publicatie van de vondst in 2009 deed heel wat stof opwaaien. Het fossiel werd in de media gepresenteerd als een zogenoemde ontbrekende schakel in de evolutie van de primaten (en zelfs van de mens) terwijl de uitdrukking ‘ontbrekende schakel’ al sinds geruime tijd als achterhaald geldt. Ook de manier van publiceren, namelijk in een elektronisch, open access, in plaats van in een gedrukt tijdschrift zorgde voor commotie.
Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Darwinius
http://www.youtube.com/watch?v=KC7HOBX6-Nc&feature=related

Zie ookMeest volledige primatenfossiel ooit gevonden (ca. 47 miljoen jaar oud)

Dawkins, Richard

Clinton Richard Dawkins (Nairobi, 26 maart 1941) is een Brits etholoog, evolutiebioloog en populair-wetenschappelijk schrijver. Dawkins is een van de bekendste schrijvers over de evolutietheorie. Hij verdedigt deze theorie op bevlogen wijze en met wetenschappelijke argumenten tegen kritiek uit zowel wetenschappelijke als niet-wetenschappelijke hoek. Hij is een uitgesproken atheïst, seculier humanist, scepticus en aanhanger van de brights-beweging. Hij heeft een zeer informatieve site http://www.richarddawkins.net/

Zie ook

de La Mettrie, Julien Offray

Julien Offray de La Mettrie (1709-1751) was een Franse arts en verlichtingsfilosoof. Hij propageerde een materialistische en mechanistische visie op de mens. Zijn belangrijkste werk is L’ Homme machine (De mens een machine) uit 1748. Daarin betoogde hij dat de mens zowel wat lichaam als wat geest betreft een machine is die uit materie bestaat dat aan algemeen geldende natuurwetten gehoorzaamt. Daarmee veegde de briljante Julien Offray de LaMettrie het dualisme van Descartes, dat stelt dat het lichaam uit natuurlijke materie bestaat waarin een bovennatuurlijke ziel zetelt, gewoon van tafel.
Tekst L’ Homme machine: http://fr.wikisource.org/wiki/L%27Homme_Machine

Diagenese

Begrip uit de geologie en de paleontologie dat verwijst naar de natuurlijke (fysische, chemische of biologische) veranderingen die een afzetting (sediment) of een fossiel ondergaat nadat het werd afgezet.
Voorbeeld: verstening, de omzetting van bot in steen (zoals bij talrijke fossielen)
Opmerking: Erosie (verwering) wordt niet tot diagenese gerekend.

Dollo, wet van

De Wet van Dollo, geformuleerd door de Belgische paleontoloog Louis Dollo (1857-1931) stelt dat evolutie een onomkeerbaar proces is: Een organisme kan niet terugkeren naar een stadium dat door zijn evolutionaire voorouders werd bereikt. Dit betekent ook dat een structuur, bijvoorbeeld een orgaan, dat in de loop van de evolutie is verdwenen, niet meer opnieuw zal verschijnen in dezelfde soort.
Tegenwoordig is gebleken dat de wet van Dollo niet opgaat: er zijn inmiddels verschillende gevallen bekend van evolutionaire omkeringen. Een voorbeeld is de vingers en klauwen aan de vleugels van kuikens van de vogelsoort Hoatzin. De evolutionaire voorouders van deze soort hebben deze structuur (die bijvoorbeeld aanwezig is bij de Archaeopteryx) verloren.

Zie ookHoatzin

Dolly

Dolly was het eerste gekloonde schaap (1996 – 2003). Dolly is opgezet tentoongesteld in het Scottish National Museum in Edinburgh.

Drosophila melanogaster

Fruitvlieg of bananenvlieg (Engels: Common fruit fly). Een van de meest gebruikte modelorganismen in de biologie, en vooral in de genetica en de ontwikkelingsbiologie. Het complete genoom werd in 2000 gepubliceerd.

Dubois

Eugène Dubois (1858-1940) Nederlands paleoantropoloog. Ontdekker van de Javamens, Pithecanthropus erectus (die nu Homo erectus wordt genoemd.
Geïnspireerd door Darwins betoog in The Descent of Man dat de beginfase van de menselijke evolutie zich in een tropisch gebied moet hebben afgespeeld waar tegenwoordig mensapen aangetroffen worden, trok Dubois naar Nederlands-Indië (Nu Indonesië) om fossielen te zoeken van evolutionaire voorlopers van de mens. Te Trinil op Java ontdekte hij fossiele resten (schedelkap, dijbeen, kies) van een primaat die hij Pithecanthropus erectus noemde en als een bewijs van de evolutionaire oorsprong van de mens beschouwde. Dubois werd vanwege zijn evolutionaire interpretatie fel aangevallen door (o.a.) katholieke geleerden die de mens als schepsel Gods buiten de evolutietheorie wilden houden. Tegenwoordig beschouwt men deze fossiele oermens als een vertegenwoordiger van de hominide soort Homo erectus.
Dubois vondst is tentoongesteld in het natuurhistorisch museum Naturalis te Leiden (Nederland).
Meer informatie:

E

Ecocentrisme

(syn. biocentrisme) is een milieufilosofisch begrip. In een ecocentrische visie is niet de mens het middelpunt (antropocentrisme) van het denken en het beleid, maar het ecosysteem (waarvan de mens ook deel van uitmaakt).

Zie ookAntropocentrisch

Emergentie

Deze term wijst in de evolutiebiologie op het ontstaan van nieuwe eigenschappen of vermogens in de loop van de evolutie als gevolg van een nieuwe rangschikking van reeds bestaande structuren of combinaties van structuren. Daarbij treedt synergie op: de nieuwe eigenschap of het nieuwe vermogen kan niet worden gezien als de optelsom van de betroffen componenten.
Voorbeelden van emergente eigenschappen bij de menselijke soort: het spraakvermogen en het bewustzijn.
Ook ‘leven’ in biologische zin wordt beschreven als een emergente eigenschap van de materie: bepaalde combinaties van levenloze bestanddelen leveren levende materie op (organismen).
http://www.youtube.com/watch?v=gdQgoNitl1g
http://www.youtube.com/watch?v=S5NRNG1r_jI&feature=related

Zie ookEvolutionary tinkering

Empathie

Synoniem: inlevingsvermogen, invoelingsvermogen, zich kunnen verplaatsen in iemand anders. Een van de belangrijkste mentale vermogens waardoor men in staat is om in te schatten hoe een ander zich voelt.

Zie ook

Engis

Paleoantropologische vindplaats in België, gelegen aan de Maas, stroomopwaarts van Luik. In 1829 werden in Engis door Philippe Schmerling fossielen gevonden van een oermens die later als Neanderthaler werd gedetermineerd.

Ethologie

Deelgebied van de biologie, de studie van het gedrag van mens en dier. De ethologie heeft een beschrijvend aspect en een analyserend (of verklarend) aspect. De term ethologie werd in de biologie geïntroduceerd door Lorenz, Tinbergen en anderen, om af te rekenen met de oudere term ‘dierpsychologie’. Deze term impliceert namelijk dat de aan gedragspatronen ten grondslag liggende motivaties en emoties bij niet menselijke dieren kenbaar zouden zijn, hetgeen door tal van ethologen onwetenschappelijk werd geacht. Ethologen zoals Frans de Waal gaan er wel van uit de gevoelens en drijfveren van bijvoorbeeld mensapen (her)kenbaar zijn.

Evolutie

Biologisch proces gekenmerkt door tamelijk willekeurige feno- en genotypische variatie onder nakomelingen, gevolgd door het differentiële overleven van bepaalde varianten. Wanneer dit proces gedurende opeenvolgende generaties optreedt, spreekt men van evolutie. Evolutie kan onder bepaalde omstandigheden leiden tot het ontstaan van nieuw soorten.
Opmerking: Het biologische proces (of verschijnsel) evolutie dient niet te worden verward met:

  1. de evolutietheorie die dit verschijnsel tracht te verklaren
  2. de fylogenie, de evolutie- of ontstaansgeschiedenis van een bepaalde groep organismen.
Zie ook

Evolutionary tinkering

Evolutionair geknutsel. Begrip geïntroduceerd door de Franse bioloog François Jacob (bricolage évolutionnaire) om te benadrukken dat evolutionaire innovaties ontstaan wanneer oude adaptaties op een andere manier gebruikt worden, of wanneer ze op een nieuwe manier aan elkaar worden gekoppeld. Met andere woorden, nieuwe structuren worden (vaak) gevormd uit elementen die reeds voorhanden zijn, zoals anatomische structuren, fysiologische systemen, celorganellen en eiwitten.
François Jacob blies daarmee een oud idee van Darwin nieuw leven in. De Amerikaanse paleontoloog en essayist Stephen Jay Gould introduceerde enkele jaren later met Elisabeth Vrba het begrip exaptatie, dat inhoudelijk een zekere overlap vertoont met Jacobs concept van evolutionary tinkering. Bij Jacob ligt de nadruk op het proces, bij Gould en Vrba meer op de structuur.

Exaptatie

Een kenmerk dat een andere rol vervult dan waarvoor het oorspronkelijk door natuurlijke selectie werd gemaakt. De term is in 1982 geïntroduceerd door Stephen Jay Gould en Elisabeth Vrba.
Voorbeeld: Veren zijn oorspronkelijk ontstaan als isolatie, als adaptatie om het dier te beschermen tegen zonnehitte en uitdroging. Later zijn veren een belangrijke rol gaan spelen bij het vliegen: als exaptatie voor het vliegen.

Zie ookEvolutionary tinkering

F

Fenotype

De verschijningsvorm van een individueel organisme of, anders gezegd, de wijze waarop het genotype bij dit individu tot uitdrukking komt. Het fenotype is het resultaat van de genetische aanleg van een individu (genotype) en de invloeden daarop vanuit de omgeving. Het fenotype betreft de biologische kenmerken van een organisme: morfologische, anatomische en fysiologische kenmerken.
Voorbeeld: Een pasgeboren baby die helemaal gezond is en zich wat aanleg betreft (genotype) normaal zou kunnen ontwikkelen zal, indien het in de eerste drie levensjaren onvoldoende voedsel krijgt (ongunstige invloeden vanuit de omgeving), zich lichamelijk en geestelijk gebrekkig ontwikkelen (fenotype).

Fixisme

Visie op de biodiversiteit waarbij (ten onrechte) wordt aangenomen dat soorten onveranderlijk zijn.

Zie ook

Fossiel

Overblijfsel, afdruk of spoor van een organisme dat lang geleden heeft geleefd, ver in het geologisch verleden. De meeste fossielen zijn versteningen (petrificaties) van delen van organismen. Meestal gaat het daarbij om harde delen zoals botten, tanden, schelpen of uitwendige skeletten. Versteende afdrukken van organismen komen ook voor, alsmede kruip- en voetsporen. Versteende uitwerpselen worden coprolieten genoemd. Speciale fossielen zijn in barnsteen ingesloten insecten en in ijs ingevroren mammoeten.
Meer informatie:

Zie ook

FOXP2

Het ‘spraak en taal gen’. Gen geassocieerd met het spraakvermogen. Ook bij Neanderthalers aanwezig, in identieke vorm als bij Homo sapiens. Bij de mens zijn er twee puntmutaties op dit gen die niet voorkomen bij huidige mensapen.
Meer informatie: http://en.wikipedia.org/wiki/FOXP2.

Fyletisch gradualisme

Evolutiebiologisch concept dat ervan uitgaat dat evolutie langzaam en geleidelijk verloopt.
Dit evolutiemodel contrasteert met het Punctuated equilibrium-model dat er van uitgaat dat evolutie schoksgewijs verloopt (zie: Onderbroken evenwicht). Beide modellen sluiten elkaar niet uit: evolutie kan in bepaalde gevallen schoksgewijs en in andere gevallen gradueel verlopen.

Zie ookOnderbroken evenwicht

Fylogenie

De fylogenie van een groep organismen is de beschrijving van hoe deze groep organismen is geëvolueerd uit andere groepen. Dit wordt soms grafisch weergegeven in een fylogenetische stamboom.

G

Genetische drift

Het proces waarbij evolutie plaatsheeft doordat genen zich toevallig meer doorzetten in een populatie. Stel bijvoorbeeld je een eiland voor waar 10 achternamen voorkomen. Op enkele generaties kunnen er toevallig slechts drie overblijven. Dit betekent niet dat daar fittere genen aan zitten, maar dat bijvoorbeeld sommige mannen enkel dochters kregen (achternamen gaan niet in vrouwelijke lijn).

Genoom

De complete erfelijke informatie van een organisme. Doorgaans is deze informatie vastgelegd als DNA; veel virussen hebben RNA in plaats van DNA. Het genoom omvat al het DNA of RNA van het organisme, dus het DNA (of RNA) dat de informatie bevat (‘codeert’) voor eiwitten en ook de niet-coderende gedeeltes van het DNA of RNA.

Zie ook

Genotype

De genetische aanleg van een organisme, individu of cel, zoals vastgelegd in het DNA.

Zie ook

Gewervelden

Een groep (meer specifiek, een subphylum) dieren die afstamt van een gemeenschappelijke voorouder. Hun gespecialiseerde eigenschap is dat ze een intern skelet hebben, gemaakt van been of kraakbeen.

H

Herbivoor

Planteneter. Voorbeeld: rund, olifant

Hoatzin

Zuid-Amerikaanse vogelsoort, Opisthocomus hoazin. In Suriname wordt hij stinkvogel genoemd. Hij komt voor in het Amazonegebied. De jonge vogels hebben klauwtjes aan hun vleugels, waarmee ze beter in bomen kunnen klimmen. De Hoatzin is een voorbeeld van een soort die de Wet van Dollo ontkracht.
Meer informatie: http://www.youtube.com/watch?v=JKwwdcfc4Ck

Hominisatie

(Synoniem: menswording) De evolutionaire ontwikkeling van die kenmerken die de menselijke soort Homo sapiens onderscheiden van alle andere primaten.

Zie ook

Homo diluvii testis

Vertaling: ‘Mens, bewijs van de zondvloed’. Beroemd fossiel, beschreven door de Zwitserse geleerde Johann Jakob Scheuchzer (1672-1733) die dacht te maken te hebben met de overblijfselen van een mens die tijdens de zondvloed was verdronken. Het fossiel gold in die tijd als een overtuigend bewijs voor de historische waarheid van het zondvloedverhaal in het bijbelboek Genesis. Het fossiel bevindt zich tegenwoordig in Teylers Museum te Haarlem (Nederland). In 1812 werd het onderzocht door de Franse paleontoloog Georges Cuvier (1769-1832) die het opnieuw heeft gedetermineerd: het betreft een grote, uitgestorven salamander die nu de naam Andrias scheuchzeri draagt.
Meer informatie: http://www.teylersmuseum.eu/

Homologie

Homologe structuren hebben een identieke evolutionaire afkomst, maar kunnen identieke of verschillende functies hebben.
VoorbeeldDe vleugels van een kip zijn homoloog met de voorste ledematen van een kat.

Zie ook

I

Iguanodons van Bernissart

Gefossiliseerde skeletten van de dinosauriërsoort Iguanodon, gevonden in 1878 in de steenkoolmijnen van Bernissart (België, ca. 20 km ten westen van Mons). De soort kreeg de naam Iguanodon bernissartensis (Iguanodon van Bernissart). Het betreft 30 complete en enkele onvolledige gefossiliseerde skeletten, een spectaculaire vondst. De indrukwekkende fossielen zijn te bezichtigen in het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen te Brussel.
Meer informatie: http://www.natuurwetenschappen.be/museum

Innovatie

In evolutiebiologische context verwijst de term innovatie naar een belangrijke nieuwe aanpassing of combinatie van aanpassingen. In de menselijke evolutie bijvoorbeeld is het rechtop lopen (op twee benen) een evolutionaire innovatie, net als het vervaardigen van stenen werktuigen of de invoering van landbouw en veeteelt.

Zie ookmelk werd reeds gedronken in het 7de millenium BC

J

jonge aarde - creationisme

Jonge aarde-creationisme is het geloof dat het heelal slechts enkele duizenden jaren oud is. Dit geloof komt voort uit een zeer letterlijke interpretatie van de bijbel, waarin niet enkel de schepping van de mens aan bod komt, maar ook de schepping van alle andere wezens. De zondvloed wordt er beschouwd als een historisch feit.

K

Kiemcellen

Bij organismen die zich geslachtelijk voortplanten zijn kiemcellen de cellen waaruit de gameten (geslachtscellen; eicellen of zaadcellen) ontstaan.

Zie ookSomatische cellen

Kropotkin, Peter (Pyotr)

Russische geograaf en zoöloog (1842-1921), en anarchistische maatschappijwetenschapper. Kropotkin nam deel aan geografische expedities door Siberië, Mantsjoerije en Skandinavië. Zijn belangrijkste wetenschappelijk werk is Mutual Aid. A Factor of Evolution (1902). (De Nederlandse vertaling uit 1904 droeg de titel: Wederkeerig dienstbetoon. Een factor der evolutie.) Daarin reageerde Kropotkin op het opkomende sociaal darwinisme en wees op het verschijnsel van coöperatie (samenwerking) dat zowel bij mensen als bij dieren voorkomt. Coöperatie is een sociaal en sociobiologisch verschijnsel dat bijdraagt aan de overlevingskansen van de betreffende soorten.
Meer informatie: Mutual Aid: A Factor of Evolution (1998 paperback ed.). London: Freedom Press. ISBN 0-900384-36-0.

Zie ookSociaal-Darwinisme

kunstmatige selectie

Het proces waarbij mensen dieren en planten kweken met het oog op specifieke gewilde kenmerken. Bij kunstmatige selectie kiezen kwekers systematisch voor de meest aantrekkelijke variaties binnen een planten- of dierpopulatie en kweken deze seletief voort met andere gewilde individuen. De meeste gedomesticeerde soorten werden door kunstmatige selectie verkregen; het is ook een belangrijke experimentele techniek om evolutie te bestuderen.

L

La Naulette

Trou La Naulette. Paleoantropologische vindplaats in België, in de buurt van het Waalse dorpje Furfooz (niet ver van de Lesse, bij Dinant). In de grot Trou de la Naulette vond Edouard Dupondt in 1866 een schedelkap, een onderkaak, een ellepijp en een handbeentje van een Neanderthaler, en bovendien ook fossiele resten van dieren.

Levend fossiel

Een biologische soort die de enige levende vertegenwoordiger is van een grotere, verder uitgestorven groep organismen, noemt men soms een ‘levend fossiel’. Let wel, dit is een populair-wetenschappelijke term. Een verwetenschappelijke term is: relict.
Voorbeelden van ‘levende fossielen

  • Dieren: brughagedissen, coelacanthen, degenkrabben, longvissen, nautilussen.
  • Planten: Ginkgo biloba, wolfsklauw (Lycopodium)

M

Macro-evolutie

Grootschalige evolutie: het ontstaan van nieuwe klassen.
Voorbeeld: het ontstaan van tetrapoden, vogels of bloemdragende planten. Het ontstaan van nieuwe soorten wordt soms wel en soms niet tot macro-evolutie gerekend.

Zie ookMicro-evolutie

Mendel, Gregor

Gregor Mendel, 1822-1884.
Grondlegger van de moderne genetica. Mendel was geschoold in wis- en natuurkunde, maar had een grote belangstelling voor plantkunde. Hij experimenteerde met erwten en andere planten in de tuin van zijn klooster. Hij verrichte kruisingen tussen erwtenvariëteiten met specifieke, goed zichtbare kenmerken zoals kleur en vorm van de zaden. Hij lette op de wiskundige verdeling van deze kenmerken bij opeenvolgende generaties. In 1866 publiceerde hij zijn ontdekkingen (‘de wetten van Mendel’) in een botanisch tijdschrift, maar deze publicatie trok weinig aandacht, waarschijnlijk omdat veel lezers geen affiniteit hadden met Mendels wiskundig benadering. Rond 1900 kreeg zijn werk alsnog bekendheid door publicaties van de Nederlandse botanicus Hugo de Vries en zijn Duitse collega’s Carl Correns en Erich von Tschermak.
Meer informatie: http://www.mendelweb.org/

Zie ookWie was Gregor Mendel?

Mesozoa

Groep dieren die uit twee cellagen zijn opgebouwd.

Metamorfose

overgang van het larvale stadium naar het volwassen (imaginale) stadium. Meestal heeft de term betrekking op rupsen en vlinders.

Metazoa

meercellige dieren.

Micro-evolutie

Kleinschalige evolutie: evolutionaire veranderingen binnen de soort. Het ontstaan van nieuwe soorten wordt soms wel en soms niet tot micro-evolutie gerekend.
Voorbeeld: de veranderingen in de pigmentatie van de berkenspanner Biston betularia (een nachtvlinder).

Zie ookBiston betularia

Micro-organisme

Synoniem: microbe.
Een organisme dat te klein is om met het blote oog te zien. Hieronder vallen alle eencellige organismen (bijvoorbeeld: bacteriën, protozoën, eencellige algen en schimmels).
Opmerking: Virussen en prionen worden niet als micro-organismen beschouwd omdat ze niet zelfstandig leven.

Modelorganisme

Organismen dat veelvuldig gebruikt wordt voor biologisch onderzoek. Deze organismen worden gekozen omdat ze gemakkelijk te fokken of te kweken zijn, goed bekend zijn en omdat verkregen onderzoeksresultaten goed vergelijkbaar zijn wanneer ze afkomstig zijn van hetzelfde modelorganisme.
Voorbeelden: de bacterie Escherichia coli, de fruitvlieg Drosophila melanogaster, de rondworm Caenorhabditis elegans, de muis Mus musculus, de bruine rat Rattus norvegicus, de zebravis Danio rerio, de zandraket Arabidopsis thaliana.

Moleculaire antropologie

De moleculaire antropologie onderzoekt evolutionaire verwantschappen tussen oude en hedendaagse menselijke populaties en tussen mensapen en mensen door middel van vergelijkend onderzoek van DNA en/of van eiwitten.
Erg actueel is het vergelijkend DNA-onderzoek waarbij DNA geïsoleerd uit fossielen van Neandertalers en andere oermenssoorten wordt gebruikt.

Zie ook

Monboddo

James Burnett, Lord Monboddo (1714-1799) is een prominente vertegenwoordiger van de Schotse verlichting, en kan worden gezien als een voorloper van Charles Darwin. Hij was een jurist met grote interesse in de linguïstiek (taalwetenschap). Hij schreef een baanbrekend werk op het gebied van de vergelijkende en historische taalwetenschap: Of the Origin and Progress of Language, dat in 6 delen verscheen tussen 1773 en 1792. In dit boek benaderde hij de linguïstiek vanuit een evolutionair perspectief: hij zag de ontwikkeling van het spraakvermogen van de mens als een aanpassing aan veranderingen in de omgeving en de sociale structuur van primitieve menselijke samenlevingen.
Monboddo beschouwde apen als voorouders van mensen. Mijlpalen in de ontwikkeling van aap naar mens waren volgens Monboddo als eerste de ontwikkeling van het vermogen om werktuigen te maken, gevolgd door de ontwikkeling van meer complexe sociale structuren en het vermogen om te communiceren door middel van spraak en taal.

Mosasaurus

De naam Mosasaurus verwijst naar een geslacht van uitgestorven mariene sauriërs uit het Krijt. De naam is afgeleid van de rivier de Maas (Latijn: Mosa) die te Maastricht (Nederland) langs de Pietersberg stroomt, waar de eerste vondst werd gedaan. De Maastrichtse Mosasaurus (Mosasaurus hoffmanni) is in 1764 in een mergelgrot aangetroffen en dateert uit het laatste deel van het Krijt, 71 tot 65,4 miljoen jaar geleden.
Het fossiel baarde in zijn tijd veel opzien, omdat het een volkomen onbekende diersoort betrof, hetgeen moeilijk te rijmen viel met het bijbelse scheppingsverhaal. Het werd onderzocht door (o.a.) Petrus Camper, zijn zoon Adriaan Camper, en ook door paleontoloog Georges Cuvier. Het heeft een grote rol gespeeld in de gedachtevorming over de geschiedenis en de ouderdom van de biodiversiteit.
Het originele fossiel bevindt zich te Parijs in de Galeries de Paléontologie et d'Anatomie comparée van het Muséum d’histoire naturelle (Jardin des Plantes). Het Natuurhistorisch museum van Maastricht stelt een afgietsel tentoon, en een prachtige reconstructie. Bovendien is er een recente vondst te zien van een sterk verwante mariene sauriër, de Prognathodon saturator.
Meer informatie: http://www.nhmmaastricht.nl/

Mutant

Organisme of virus waarvan een of meer genen mutatie hebben ondergaan.

Zie ookMutatie

Mutatie

Mutaties zijn veranderingen in het erfelijk materiaal (DNA of RNA) van een organisme of een virus.

N

Naturalisme

(wetenschappelijk, methodisch of epistemologisch naturalisme)
De opvatting dat er in de wetenschap geen noodzaak of behoefte bestaat aan bovennatuurlijke verklaringen. Deze opvatting, die van fundamentele betekenis is voor de moderne wetenschap, verdanken we aan de Oude Grieken. De Ionische natuurfilosoof Thales van Milete was (voorzover bekend) de eerste die dit uitgangspunt verwoordde.
Voorbeeld: De evolutietheorie geeft een naturalistische verklaring van de biodiversiteit.
Meer informatie: http://en.wikipedia.org/wiki/Naturalism

Natuurlijke selectie

De differentiële overleving en voortplanting van organismen die van elkaar verschillen in één of meer erfelijke eigenschappen verschillen. Door dit proces zullen deze organismen binnen een populatie die best zijn aangepast aan hun plaatselijke omgeving meer voorkomen ten opzichte van minder geadapteerde vormen. Dit verschil in overleving en voortplanting is geen gevolg van toeval.

Neontologie

Biologie van tegenwoordig levende organismen, in tegenstelling tot paleontologie, dat betrekking heeft op uitgestorven levensvormen.

Zie ookPaleoanthropologie

Niels Stensen

Gelatiniseerde naam: Nicolaus Steno. Zeventiende-eeuwse Deens anatoom en natuuronderzoeker (1638-1686), pionier van de (geologische) stratigrafie en de paleontologie.
Paleontologie: Op basis van de sterke gelijkenis tussen recente en fossiele haaientanden, die toen glossopetrae (tongstenen) werden genoemd, kwam Stensen tot de conclusie dat ze afkomstig waren van haaien uit het verleden, en dat ze in de loop van de tijd geleidelijk waren versteend, zonder dat hun vorm wezenlijk was veranderd.
Steno kwam op een gegeven moment tot het standpunt dat geloof en natuurwetenschap niet met elkaar in overeenstemming te brengen zijn, en koos voor het geloof.

Zie ookWelke rol speelden fossielen in het ontstaan van de evolutietheorie?

O

Omnivoor

Alleseter (i.e., een dier dat zowel plantaardig als dierlijk materiaal eet). Voorbeeld: varken, mens

Onderbroken evenwicht

Engels: Punctuated equilibrium.
Evolutiebiologisch concept afkomstig uit de paleontologie dat berust op de zienswijze dat evolutie in sommige gevallen schoksgewijs verloopt: lange(re) perioden van stabiliteit wisselen zich dan af met korte(re) perioden van snelle evolutionaire veranderingen. Dit evolutiemodel contrasteert met het fyletisch gradualisme dat stelt dat evolutionaire veranderingen langzaam en geleidelijk verlopen. Beide modellen sluiten elkaar niet uit: evolutie kan in bepaalde gevallen schoksgewijs en in andere gevallen gradueel verlopen.
Meer informatie:

  • Punctuated equilibria: an alternative to phyletic gradualism. Niles Eldredge en Stephen Jay Gould, 1972. In Models in Paleobiology, San Francisco: Freeman, Cooper and Company, pp. 82-115. (pdf)
Ongeslachtelijke voortplanting

Een vorm van voortplanting waarbij slects één ouder is die meestal genetisch identieke nakomelingen produceert. Ongeslachtelijke voortplanting doet zich voor zonder bevruchting of genetische recombinatie, en komt voor door processen als enten, het splitsen van een cel, of het afbreken van een organisme in één of meer nieuwe individuen.

Ontbrekende schakel

Engels: Missing link.
De term is in de negentiende eeuw geïntroduceerd voor nog onbekende levensvormen die, evolutionair gezien, liggen tussen oudere en nieuwere vormen die wel bekend zijn. Ze vertonen kenmerken van zowel de oudere als de nieuwere levensvormen.
Tegenwoordig gebruiken wetenschappers liever de uitdrukking overgangsvorm; de term ‘missing link’ of ‘ontbrekende schakel’ behoort thans tot de woordenschat van de populaire cultuur. De reden is dat evolutie meestal geleidelijk verloopt en dat er dan geen sprake is van één enkele (of een paar) ‘schakels’, maar dat het er talloze zijn. Strikt genomen is ieder organisme, mits het zich voortplant, een ‘evolutionaire schakel’
Voor een historische terugblik:
http://www.visualthesaurus.com/cm/wordroutes/1871/

Zie ook

Organische chemie

Synoniem: Koolstofchemie
Chemie van de organische verbindingen – dat zijn chemische verbindingen waarvan de molecule ten minste één koolstofatoom (C) bevat. Voorbeelden zijn: suikers, vetten, oliën, eiwitten, ureum.
De naam ‘organische verbinding’ stamt uit de tijd dat men dacht dat deze verbindingen alleen door levende organismen gemaakt kunnen worden. Men veronderstelde toen dat er een diepe, fundamentele en onoverbrugbare kloof bestond tussen de anorganische (‘dode’) en de ‘organische’ of levende natuur. Deze opvatting, waarop ook het vitalisme was gefundeerd, viel in duigen toen Friedrich Wöhler in 1828 de synthese van ureum uitvoerde met gebruikmaking van louter anorganische verbindingen. Later volgden nog vele andere kunstmatige syntheses van organische stoffen. Tegenwoordig is er geen sprake meer van een fundamenteel onderscheid tussen levende en dode materie, althans niet in wetenschappelijke context.

Overgangsfossiel

Een specifiek fossiel of groep gelijkaardige fossielen die een of meer gelijkaardige soorten, genera of families representeren die een oudere groep organismen verbinden met een jongere groep. Vaak bevatten dergelijke fossielen een combinatie van oudere, ancestrale kenmerken met kenmerken van meer recente soorten. Zo zijn er een reeks overgansfossielen gevonden die aantonen hoe de hedendaagse volledig aan het water aangepaste walvissen afstamden van volledig aan het land aangepaste soorten.

Zie ookWat zijn overgangsfossielen?

P

Paleoanthropologie

De menselijke paleontologie, d.w.z. de studie van het ontstaan en de evolutiegeschiedenis van de mens aan de hand van fossiele (en archeologische) vondsten.
Gedetailleerde informatie over paleoantropologische vondsten en interpretaties is op internet te vinden. Zie bijvoorbeeld:
http://www.talkorigins.org/faqs/homs/
http://humanorigins.si.edu/

Zie ookAntropologie

Parsimonie

Parsimonie of spaarzaamheid is een belangrijke principe van de wetenschappelijke methode voor kennisverwerving. Volgens dit principe is het verstandig om, indien er meerdere verklaringen voor een bepaald fenomeen bestaan, te kiezen voor de eenvoudigste verklaring. De eenvoudigste verklaring – de ‘meest parsimone’ verklaring – is die waarvoor de minste aannames nodig zijn.
Dit principe staat in de filosofie bekend als ‘Ockhams scheermes’ (Novacula Occami). De 14de eeuwse filosoof William van Ockham stelde dat men bij het opstellen van een hypothese nooit zonder noodzaak veronderstellingen mag toevoegen, want daardoor wordt de hypothese onnodig ingewikkeld.

Plesiomorfie

een oud kenmerk dat overgenomen is van de voorouders van de soort (of de taxonomische groep).

Zie ookApomorfie

Populatie

Een groep organismen, meestal seksueel voortplantende organismen, die een genenpoel delen en met elkaar kunnen paren.

Protozoa

Eencellige organismen met een celkern. Synoniem: protozoën.

R

Resistentie tegen antibiotica

Synoniem: antibioticumresistentie.
Het verschijnsel dat bacteriën bestand worden tegen bepaalde antibiotica. Dit is een voorbeeld van evolutie: de meeste bacteriën van een bacteriënpopulatie worden gedood door het antibioticum, maar er blijven enkele in leven. Deze zijn resistent tegen het betreffende antibioticum, en zullen zich voortplanten en hun resistentie (een erfelijke eigenschap) doorgeven aan hun nakomelingen. Na een aantal generaties is de gehele populatie geëvolueerd tot een resistente bacteriesoort die niet meer met het betreffende antibioticum kan worden bestreden.
Voorbeelden: de zogenaamde ziekenhuisbacteriën zoals MRSA.
Meer informatie: Gerard D. Wright: ‘Q&A: Antibiotic resistance: where does it come from and what can we do about it?’ BMC Biology 2010, 8:123 http://www.biomedcentral.com/1741-7007/8/123

Zie ookDe heer der muggen (Hoe evolutionaire geneeskunde inzichten verschaft bij de ontwikkeling van insekticiden)

S

Schmerling, Philippe-Charles

Philippe-Charles Schmerling (1790-1836) was een Belgische paleontoloog en prehistoricus van Nederlandse afkomst (geboren te Delft). Hij heeft als eerste menselijke fossielen juist geïnterpreteerd, namelijk als versteende resten van prehistorische mensen.
Hij woonde in Luik en verrichte veldwerk in de vallei van de Maas, ten zuiden van Luik. In 1829 en de daarop volgende jaren ontdekte hij in een grot bij Engis fossielen van prehistorische zoogdieren (neushoorn, mammoet, holenbeer) tezamen met menselijke fossielen. Deze menselijke fossielen zijn later toegeschreven aan Neandertalers.

Seksuele selectie

Selectie op paargedrag, ofwel door de competitie die leden van één geslacht binnen dezelfde soort (meestal mannetjes) voor de leden van het andere geslacht, ofwel door de keuze door de leden van één geslacht (meestal de vrouwtjes) van bepaalde leden van het andere geslacht. In seksuele selectie worden individuen vaak gekozen door hun relatieve fitness vergeleken met andere leden van hetzelfde geslacht, terwijl natuurlijke selectie inwerkt op de fitness van een genotype binnen een gehele populatie.

Zie ookWat is seksuele selectie?

Selectieve druk

Factoren van de omgeving zoals schaarste van voedsel of extreem hoge of lage temperaturen, waardoor enkel bepaalde organismen binnen een populatie kunnen overleven die specifieke kenmerken hebben waardoor zij tegen deze factoren bestand zijn.

Sociaal-Darwinisme

Het begrip sociaal darwinisme verwijst naar alle maatschappelijke theorieën die natuurlijke selectie als uitgangspunt nemen. De kerngedachte van het sociaal darwinisme is dat ‘vooruitgang’ berust op selectie van ‘sterkeren’ en ‘beter aangepasten’.
Sociaal darwinisten passen het begrippenapparaat van het biologisch darwinisme toe op sociale, politieke en economische processen, enerzijds om deze te beschrijven en te verklaren, maar soms ook om bepaalde ideologieën te promoten. Zo heeft het begrip ‘survival of the fittest’ (overleven van de best aangepaste) verklarend vermogen in de economie, maar het is ook een strijdkreet van het kapitalisme en het (extreme) vrije markt denken.
Het sociaal darwinisme was erg populair in de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, toen sociaal darwinistische redeneringen gebruikt werden om koloniale uitbuiting, racisme en eugenetica te rechtvaardigen. Om die reden heeft de term tegenwoordig een negatieve connotatie.
In fundamentalistische religieuze kringen wordt het biologisch darwinisme vaak aangewezen als de belangrijkste oorzaak van onrecht en uitbuiting. Het is echter belangrijk om zich te realiseren dat kolonialisme, kapitalistische uitbuiting, racisme, seksisme en slavernij al lang in praktijk werden gebracht voordat Darwin zijn evolutietheorie publiceerde.
Meer informatie: Cornelis Andreas Marie Hermans, De dwaaltocht van het sociaal-darwinisme, Uitgeverij Nieuwezijds, 2003.

Sociobiologie

Sociobiologie is de tak van biologie die zich bezig houdt met onderzoek naar de evolutionaire oorsprong van sociaal gedrag bij dieren (inclusief de mens).
De term 'sociobiologie' werd voor het eerst gebruikt door de Amerikaanse bioloog Edward Osborne Wilson in zijn boek Sociobiology: The New Synthesis uit 1975. Een aantal jaren daarna was de sociobiologie tamelijk omstreden, vooral in kringen van sociologen en linkse academici, omdat de gedachte dat menselijk gedrag een genetische grondslag heeft niet strookte met de toen geldende ideeën over de menselijke geest als een product van opvoeding en cultuur.
De sociobiologie tracht gedrag te verklaren als product van natuurlijke selectie. Gedragspatronen zijn er op gericht om het voortbestaan van genen in de populatie te bevorderen. Dat impliceert dat de genen of combinaties van genen die bepalend zijn voor specifieke gedragspatronen van generatie op generatie worden overgeërfd.

Somatische cellen

Somatische cellen zijn alle lichaamscellen van een zich geslachtelijk voortplantend organisme, met uitzondering van de kiemcellen.

Zie ookKiemcellen

Soort

Soorten zijn een belangrijk instrument om de levende wereld onder te verdelen. Er zijn verschillende manieren om soorten te definiëren, waaronder het biologisch soortconcept, het cladistisch soortconcept, het ecologisch soortconcept en het fenotypisch soortconcept. Het biologisch soortconcepts is het meest voorkomende: hier zijn soorten populaties van met elkaar parende individuen. Soorten worden aangeduid met een Latijnse dubbele naam, een conventie die van Linnaeus komt, zoals Homo sapiens voor de huidige mens

Soortvorming

Engels: speciation.
Het ontstaan van een nieuwe soort. Een van de belangrijkste inzichten van de evolutiebiologie is dat een nieuwe soort altijd uit een reeds bestaande soort ontstaat.

Zie ook

Spiegelneuron

Engels: mirror neuron.
Spiegelneuronen werden ontdekt in 1996. Het zijn hersencellen die actief worden (zenuwimpulsen afvuren), niet alleen wanneer een dier een handeling verricht, maar ook wanneer het dier een handeling ziet uitvoeren (door een ander dier van dezelfde soort). Deze neuronen weerspiegelen als het ware de handeling van een ander dier, en zijn dan op dezelfde manier actief (vuren zenuwimpulsen af) als wanneer het dier de handeling zelf uitvoert. Spiegelneuronen zijn aangetoond bij verschillende primatensoorten, waaronder de mens, en bij sommige vogels.
Er wordt momenteel intensief onderzoek gedaan over voorkomen, werking en functie van spiegelneuronen. Spiegelneuronsystemen worden nu in verband gebracht met het begrijpen en interpreteren van de acties van anderen (theory of mind), met emotioneel inlevingsvermogen (empathie), met het leren van nieuwe vaardigheden door imitatie en met taalverwerving.
Meer informatie:

Spy

De Grot van Spy is een Belgische vindplaats van fossielen van Neandertalers. Spy ligt in de gemeente Jemeppe-sur-Sambre (provincie Namen); de grot bevindt zich in een heuvelflank op de linkeroever van de Orneau, een zijrivier van de Samber, circa 20 meter boven waterniveau.
In 1886 werden er door Marcel De Puydt (archeoloog), Max Lohest (geoloog) en Julien Fraipont (paleontoloog) twee skeletten van Neandertalers opgegraven, een vrouw en een kind. De ouderdom van deze ‘Spy-mensen’ ligt tussen de 30.000 en de 100.000 jaar. Door de vondst in Spy werd de oermens Neandertaler definitief erkend als menssoort.
Meer informatie:

  • http://www.sesha.net/eden/spy.asp
  • http://users.swing.be/grottedespy/page18.html
  • Zie ook

    Sympatrie

    Het verschijnsel dat twee (of meer) soorten in hetzelfde gebied voorkomen.

    Zie ook

    Sympatrisch

    Soorten zijn sympatrisch wanneer ze in hetzelfde gebied voorkomen.

    Zie ookSympatrische soortvorming

    Sympatrische soortvorming

    De evolutie van een nieuwe soort zonder dat er sprake is van geografische isolatie.

    Symplesiomorfie

    Een kenmerk dat bij twee of meer soorten (of taxonomische groepen) voorkomt, maar dat overgeërfd is van een verre voorouder (verder dan de laatste gemeenschappelijke voorouder).
    Voorbeeld: kieuwademhaling bij beenvissen en kraakbeenvissen.

    Synapomorfie

    Een synapomorfie is een gemeenschappelijke eigenschap, een apomorfie die bij twee of meer soorten (of taxonomische groepen) voorkomt.
    Voorbeeld: melkklieren bij de zoogdieren.

    Zie ookApomorfie

    T

    Tafonomie

    Tafonomie is de studie van de natuurlijke veranderingen die een organisme ondergaat vanaf het moment dat het niet meer leeft tot het moment dat het wordt aangetroffen als fossiel in een aardlaag, of als niet gefossiliseerd karkas (of delen daarvan). De belangrijkste van deze veranderingen zijn ontbinding (decompositie), verplaatsing (en verstrooiing), diagenese en erosie.
    Meer informatie: Shipman, P. (1981), Life history of a fossil: An introduction to taphonomy and paleoecology (Harvard University Press).

    Zie ookDiagenese

    Teilhard de Chardin

    Pierre Teilhard de Chardin (1881–1955) was een Franse paleontoloog, pater jezuïet en katholiek theoloog.
    Teilhard de Chardin heeft als paleontoloog een aantal degelijke wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan over paleontologische en geologische onderwerpen. Daarnaast schreef hij een aantal boeken waarin hij trachtte het christelijk geloof in overeenstemming te brengen met de moderne wetenschap, en in het bijzonder met de evolutietheorie. Deze mystiek aandoende boeken waren erg populair in de jaren zestig en zeventig (van de twintigste eeuw, maar zijn niet anders dan pseudo-wetenschappelijk te noemen.
    De meest vernietigende kritiek kwam van bioloog en Nobelprijswinnaar Peter Medawar (1915–1987). Zijn recensie van Het verschijnsel mens gaf de genadeslag aan Teilhard de Chardins gedachtegoed, althans in kringen van wetenschappers en intellectuelen. In new age-achtige kringen is zijn pseudowetenschappelijk gedachtegoed echter nog steeds springlevend.
    Teilhard de Chardin was als seminarist betrokken bij de vondst van de Piltdown-mens (Eoanthropus dawsoni), die later een vervalsing bleek te zijn: hij was bekend met amateur-paleoantropoloog Dawson die de Piltdown-mens had opgegraven, en vond een hoektand van deze vermeende oermens. Sommige paleontologen vermoeden dat Teilhard de Chardin verantwoordelijk of medeverantwoordelijk was voor deze vervalsing. De orde der jezuïeten waar Teilhard de Chardin deel van uitmaakte voerde namelijk in die tijd een regelrechte propaganda-oorlog tegen Ernst Haeckel en andere antropologen die de evolutie van de mens bestudeerden. Teilhard de Chardins betrokkenheid is echter nooit bewezen.
    Meer informatie:

    Zie ookWat zijn de belangrijkste menselijke fossielen?

    Theory of Mind

    Theory of mind, oftewel ToM, is het menselijk vermogen om zich een beeld te vormen van het perspectief van een ander en indirect ook van zichzelf. Men maakt gebruik van ToM wanneer men beschrijft wat een ander ziet, voelt of denkt vanuit zijn perspectief. ToM is daarom een noodzakelijke vaardigheid om bijvoorbeeld empathisch te kunnen zijn (je verplaatsen in het gevoelsleven van een ander).

    Zie ookEvolutie, empathie en het menselijke brein

    Toba-gebeurtenis

    Engels: Toba-event
    Gigantische vulkaanuitbarsting met wereldwijde gevolgen die circa 70.000 – 75.000 jaar geleden heeft plaatsgevonden in Zuidoost Azië.
    Geologisch onderzoek van het Toba-meer (Danau Toba) op Sumatra (Indonesië) wijst aan dat dit meer (100 km lang, 30 km breed en 0,5 km diep) 70.000 – 75.000 jaar geleden is ontstaan door een enorme, explosieve vulkaanuitbarsting. Door de explosie kwam er enorm veel as in de atmosfeer terecht waardoor het klimaat vele jaren lang sterk is afgekoeld. Ook vormde er zich toen een centimeters dikke laag vulkanisch as over een groot deel van het Aziatische continent. heel Zuid Azië. Een van de ecologische gevolgen was een significante, wereldwijde afname van de menselijke bevolking (zie bottleneck). Tegenwoordig neemt men aan dat de Toba-catastrofe een belangrijke rol heeft gespeeld in de evolutie van de menselijke soort Homo sapiens.
    http://www.youtube.com/watch?v=aaL3VsXYL-c&feature=fvwrel

    Zie ookBottleneck

    Transmutatie (van soorten)

    Term gemunt door Lamarck in 1809 voor zijn theorie dat biologische soorten veranderen in de loop van de tijd. In de 19de eeuw werd daarmee aangeduid wat sinds Darwin evolutie wordt genoemd. Andere negentiende-eeuwse termen voor evolutie waren: de ‘ontwikkelings- hypothese’ (development hypothesis) en de ‘transformatie’ van soorten. Darwin gebruikte zelf ook de uitdrukking ‘afstamming met modificatie’ (descent with modification). Beroemde transmutationisten waren: Georges Buffon, Erasmus Darwin (de grootvader van Charles Darwin), Étienne Geoffroy Saint-Hilaire en Jean-Baptiste de Lamarck. Ook Robert E. Grant, een van Charles Darwins leermeesters in Edinburgh, was een overtuigd transformist.
    Pas in de tweede helft van de 19de eeuw, na de publicatie van de evolutietheorie door Charles Darwin, werd de term transformisme vrij snel vervangen door evolutie.
    Opmerking: Het gebruik van formuleringen als ‘ontwikkelings-hypothese’ of ‘transformatie-hypothese’ i.p.v. ‘evolutie’ in hedendaagse teksten is doorgaans een goede aanwijzing dat de auteur evolutie afwijst (meestal om religieuze redenen).

    Typologie
    1. De definitie van een groep organismen door middel van de gelijkenis die zij hebben met een typespecimen. Een soort zou dan kunnen worden omschreven als alle individuen die minder dan x phenetypische eenheden van dit typespeciment verwijderd zijn
    2. De theorie dat er verschillende types zouden bestaan in de natuur, een vorm van idealisme, waarbij specifieke individuen meer of minder zouden afwijken van dit ideaaltype. Dit idee is in diskrediet geraakt door de evolutietheorie, omdat er in een genenpoel niet kan worden gesteld dat één variant meer belangrijk zou zijn dan een andere

    U

    Uitgebreid fenotype

    (Engels: extended phenotype)
    Biologisch concept ingevoerd door Richard Dawkins (Richard Dawkins, 1982: The Extended Phenotype). Het is een uitbreiding van het begrip fenotype dat in meer beperkte zin alleen morfologische, anatomische en fysiologische karakteristieken betreft, met mentale of cognitieve en ethologische eigenschappen. Deze uitbreiding opent de mogelijkheid om ethologische en culturele aspecten (al of niet gedeeltelijk) op te vatten als deel uitmakend van het uitgebreid fenotype.
    Tal van gedragingen gaan gepaard met de productie van karakteristieke objecten of geluiden. Deze maken dan ook deel uit van het uitgebreid fenotype van het betreffende organisme.
    Voorbeelden van objecten die (samen met de daaraan gerelateerde gedragspatronen) deel uitmaken van het uitgebreide fenotype van organismen: vogelnest; spinnenweb; beverdam; dassenburcht; prieel van prieelvogel; paleolithische artefacten van hominiden.
    Voorbeelden van geluiden: vogelzang; tsjirpen van krekels; geluiden van walvissen.

    Zie ookFenotype

    Umwelt

    Begrip geïntroduceerd door de zoöloog Jakob von Uexküll (1864-1944).
    Umwelt, een Duits woord, wordt vaak opgevat als synoniem voor milieu of biotoop, maar dat is niet juist: Von Uexkülls concept verwijst namelijk in plaats van naar de objectieve, fysische wereld, naar de subjectieve leefwereld van een dier, naar de mentale voorstelling ervan, die volledig is bepaald door de zintuigen, zenuwen en hersens waarover het dier beschikt. Neem een krab die begroeid is met zeepokken: de beide diersoorten leven onlosmakelijk met elkaar verbonden in hetzelfde zeewater en op dezelfde zeebodem, maar hun Umwelten zijn totaal verschillend. Dat zit ‘m gewoon in de aard van het beestje: de soortspecifieke lichaamsvormen, zintuigzenuwstelsels, leefwijzen en gedragingen gaan gepaard met verschillende belevings- of ervarings-werelden.
    Bij de mens omvat het begrip Umwelt ook menselijke cultuur, namelijk woorden, taal, gedachten en denkbeelden die bepalend zijn voor de manier waarop we de wereld ervaren.

    Ussher, James

    Britse geleerde en theoloog uit de 17de eeuw die rond 1650 berekende dat de Aarde 4004 jaar voor Christus is ontstaan (d.w.z. geschapen). Hij baseerde zich daarbij op een uitvoerige studie van de bijbel en andere historische geschriften. Zijn chronologie vertegenwoordigt weliswaar een indrukwekkend staaltje van historische bijbelexegese, maar heeft geen enkele natuurwetenschappelijke betekenis.

    Zie ook

    V

    Variantie

    Een objectieve meetstaf om na te gaan hoeveel speling er in een groep getallen is. Technisch gesproken is de variantie de som van de tot de tweede macht verheven deviaties van het gemiddelde, gedeeld door n-1 (het aantal getallen in de staalname min één). Hoe groter de variantie is, hoe meer variatie er is in de getallen - zo is de variantie van een set van drie identieke getallen (6,6 en 6) nul.

    Variatie

    Biologische variatie betreft de verschillen tussen individuen van een en dezelfde soort. Het is Darwins verdienste dat hij inzag hoe belangrijk spontaan optredende variatie is voor het voortbestaan van het leven op aarde: zonder variatie zou er immers geen selectie plaatsvinden en dus ook geen aanpassing aan veranderende omstandigheden.
    Vóór Darwin werd variatie door biologen voornamelijk gezien als een storende ruis; men dacht toen, in navolging van Aristoteles en Plato, in ‘ideale typen’.
    Daarmee variatie een rol kan spelen in de evolutie (d.w.z. daarmee aanpassingen blijvend zijn) is het noodzakelijk dat de variatie erfelijk is (en dus berust op wijzigingen in het genoom van de betreffende individuen).
    Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Genetische_variatie

    Verworven eigenschap

    Een fenotypische eigenschap die werd verworven tijdens de groei en ontwikkeling van een organisme. Verworven eigenschappen hebben geen genetische basis en kunnen daarom niet doorgegeven worden aan een volgende generaties. Voorbeelden zijn de sterke spieren van een gewichtheffer, de gecoupeerde staart van een dobermann en het uithoudingsvermogen van een marathonloper.

    Virus

    Een virus is een soort intracellulaire parasiet die zich enkel kan voortplanten binnen het milieu van een levende cel. In zijn reis van cel tot cel, bestaat een virus uit een kernzuur die een klein aantal genen bevat, omringd door een mantel van eiwitten. In de informele termen van Medawar kunnen we zeggen, een virus is 'een stuk slecht nieuws verpakt in een eiwit'.

    Vitalisme

    Verouderde zienswijze waarbij men er van uit ging dat levensprocessen nooit (volledig) te verklaren zouden zijn met behulp van natuurwetenschappelijke wetmatigheden en principes, en dat er bijgevolg een speciale immateriële levenskracht in het spel zou zijn. Door de opkomst van de organische chemie, de biochemie en de moleculaire biologie is deze zienswijze volkomen ontkracht. Tegenwoordig speelt het vitalisme alleen nog maar een rol in pseudo-wetenschappelijke context.

    Vogelbekdier

    Ornithorhynchus anatinus is een zoogdier dat een aantal kenmerken deelt met vogels en reptielen. Het heeft een snavel en legt eieren, maar wordt tot de zoogdieren gerekend omdat het haar jongen voedt met melk uit gespecialiseerde melkklieren. Het zijn waterbewoners en ze komen voor in Australië. De Engelse naam is Platypus.
     
    Meer informatie:

    W

    Wallace, Alfred Russel

    Wallace (1823-1913) was een Britse bioloog en tijdgenoot van Charles Darwin. Hij verrichte onderzoek op de Amazonerivier en bestudeerde de verschillen tussen diersoorten in Azië en Australië (waardoor hij de Lijn van Wallace uitvond, een denkbeeldige lijn die men kan trekken tussen geografische gebieden met voornamelijk zoogdieren en deze met voornamelijk buideldieren). Onafhankelijk van Darwin kwam hij op de evolutietheorie.

    Wallacelijn

    Zoögeografische (denkbeeldige) scheidingslijn tussen de fauna’s van Azië en Australië, ontdekt door A.R. Wallace. Ten westen van de Wallacelijn treft men een overwegend Aziatische fauna aan, en ten oosten een overwegend Australische. De Wallacelijn loopt door Indonesië, tussen Borneo and Sulawesi (Celebes), en tussen Bali en Lombok.

    Zie ookWallace, Alfred Russel

    Weismann

    Friedrich Leopold August Weismann (1834 -1914) was een Duits bioloog en een fervent aanhanger van de evolutietheorie.
    Hij is de ontwerper van de kiemplasmatheorie die stelt dat alleen de kiemcellen een rol spelen bij erfelijkheid en overerving: de somatische cellen van de nakomelingen verkrijgen hun erfelijke informatie (DNA) uitsluitend van de ouderlijke kiemcellen. Hieruit volgt dat aangeleerde somatische eigenschappen (bijvoorbeeld de sterk ontwikkelde armspieren van de smid) niet overgeërfd kunnen worden op het nageslacht. Ook mutaties in het DNA van somatische cellen zullen niet in het nageslacht terechtkomen. Hieruit volgt het ongelijk van Lamarck.

    Zie ook

    Weismannbarrière

    Het principe dat erfelijke informatie uitsluitend vanuit de genen van het kiemplasma naar de lichaamscellen gaat en nooit omgekeerd.

    Zie ook

    Wetenschap

    Een manier om kennis op te doen over de natuurlijke omgeving, gebaseerd op observaties en experimenten. Wetenschappelijke kennis kan bevestigd of in vraag gesteld worden door andere wetenschppers die aanvaarde wetenschappelijke technieken toepassen.

    Wilson, E. O.

    Bioloog en professor aan de Universiteit van Harvard sinds 1955. Hij won twee Pulitzer prijzen voor zijn boeken On human nature en The ants, en verwierf daarnaast diverse prijzen en onderscheidingen voor zijn research en inspanningen voor natuurbehoud.

    X

    X-chromosoom

    vrouwelijk chromosoom van zoogdieren (incl. mensen).

    Zie ookY-chromosoom

    Xenophanes van Colophon

    Griekse natuurfilosoof uit de 5e en 6de eeuw voor onze jaartelling. Hij is een van de grondleggers van het moderne natuurwetenschappelijke denken, want hij stelde dat ware kennis alleen kan worden verkregen door empirisch onderzoek en door verstand en zintuigen te gebruiken (daarmee wees hij mythologie en religie af als bron van kennis). Hij gaf als eerste een correcte interpretatie van fossielen, die hij als versteende afdrukken van organismen beschouwde. Daarom kan men hem als een voorloper zien van de paleontologie.

    Zie ook

    Xenotransplantatie

    transplantatie van organen of weefsels van de ene soort naar een ander. Meestal gaat het om dierlijk materiaal (hartkleppen bijvoorbeeld) dat aan mensen wordt gegeven.

    Y

    Y-chromosoom

    mannelijk chromosoom van zoogdieren (incl. mensen).

    Zie ook

    Z

    Zinjanthropus

    Zinjanthropus boisei is een (verouderd) synoniem van Paranthropus boisei. een uitgestorven mensachtige die tussen ca. 2,3 en 1,2 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika voorkwam. Tegenwoordig wordt deze soort meestal aangeduid als Australopithecus boisei, of ook wel als Paranthropus boisei.

    Zie ook

    Zoögeografie

    Studie van de geografische verspreiding van diersoorten.

    Zie ookWallacelijn

    Zoölogie

    Dierkunde.

    Zygoot

    De cel die gevormd wordt door het samensmelten van mannelijke en vrouwelijke gameten, i.e., zaadcel en eicel.