UGent

Brief Candle in the Dark

Het tweede deel van de memoires van Richard Dawkins

Het eerste deel van Dawkins’ memoires huldigt een klassieke verhaallijn: de auteur meandert er van zijn 18de-eeuwse voorvaderen tot de publicatie van The Selfish Gene (1976). Het tweede deel zit echter anders in elkaar: Dawkins trakteert de lezer op een serie flashbacks, vaak in schitterend proza geschreven en “divided into themes, punctuated by digressions and anekdote” (p. 7). Of, zoals de postmodernistische wetenschapshistoricus en -socioloog Steven Shapin het, niet zonder nijd, omschrijft in een kritische bespreking in The Guardian: “a loose and multiply digressive collection of reminiscences, anecdotes, addenda, quotes from admirers, and extended quotes from himself.” Die ‘collectie’ is op haar beurt netjes ingekaderd tussen twee korte bespiegelingen over het feest dat Dawkins in 2011 gaf in New College Hall (Oxford) naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag
 
Dit markante verschil in narratieve structuur is symptomatisch voor de centrale plaats die The Selfish Gene inneemt in Dawkins’ carrière: het boek is, samen met zijn sequel The Extended Phenotype (1982), het prisma waardoor de geschiedenis zijn leven en werk zal bekijken, met een lineair ‘voor’ (de ontstaansgeschiedenis van) en een uitwaaierend ‘na’. Daar getuigt Brief Candle in the Dark trouwens nog op een andere manier van. Het kan namelijk onderverdeeld worden in twee delen, waarbij het tweede deel, een analyse van thema’s die hij aansneed en uitwerkte in zijn 12 voorafgaande boeken, vooral gaat over ideeën uit The Selfish Gene en The Extended Phenotype.
 
Niet dat het eerste deel niet interessant is. Dawkins verhaalt er, onder plastische hoofdingen als ‘Lore of the jungle’ en ‘Oh, the things that are done by a don’, onder meer over zijn ervaringen als academicus in Oxford en als documentairemaker. Een van de opvallendste anekdotes betreft zijn eigen familie. In mijn bespreking van het eerste deel van zijn memoires wees ik er op dat het onbegrijpelijk was dat hij niet één woord besteedde aan haar Jamaicaanse wortels, ook al is het overduidelijk dat ze, zoals wel meer vooraanstaande Engelse families, daar haar fortuin vergaarde. Ik verwees daarbij ook naar ene James Dawkins, een doctoraalstudent die een thesis schrijft over de historische bezittingen van de of een familie Dawkins in Jamaica. Nu blijkt dat die onderzoeker Richard gecontacteerd heeft. Dat is de aanleiding, voor die laatste, om bijna beteuterd te vermelden dat deze familie van plantage- en slaafeigenaren, “I’m sorry to say”, de zijne is.
 
Het brengt misschien een van Dawkins’ meest opvallende en vaakst bekritiseerde karaktertrekken aan het licht: een uit de kluiten gewassen ego. Gecombineerd met zijn vele talenten en zijn rijk gevuld leven, vertaalt het zich ook nu weer in een zekere pronkzucht of iets dat daar in elk geval sterk op lijkt. Zo vermeldt hij tot tweemaal toe dat er maar liefst 100 personen aanwezig waren op het voornoemde verjaardagsfeest. Grote en bekende namen (van Bill Gates tot de Queen) vallen bij de vleet en het aantal ‘distinguished’ personen uit de academische en niet-academische wereld dat zijn pad kruist, is niet te tellen. Hij vermeldt misschien ook net iets te uitdrukkelijk en opnieuw tot tweemaal toe (in een bestek van minder dan 15 pagina’s dan nog), dat hij blij is dat hij (ondanks alles) niet herkend wordt in de straat. The Don doth protest too much, methinks. Dat hij er altijd jong uitgezien heeft, zal wel waar zijn, maar het is wellicht minder evident om dat ook met zoveel woorden te zeggen over jezelf. Zijn collega Sir John Krebs verhaalde ooit in een toespraak over graffiti die hij aantrof in het toilet van het departement voor zoölogie in Oxford. ‘Wat is het verschil tussen God en Richard Dawkins?,’ was de vraag. Het antwoord luidde: ‘God is hier maar overal; Dawkins is overal uitgenomen hier.’ Krebs voegde er plagend aan toe: hij reist inderdaad nogal veel. Wie zich blindstaart op deze karaktertrek, doet Dawkins echter onrecht aan en getuigt van kwade wil. Hij is bijvoorbeeld ook nu weer bijzonder gul met het toezwaaien van lof aan vrienden en kennissen, waaronder Helena Cronin en zijn ‘star pupil’ en latere mentor Alan Grafen. Hij geeft ook ootmoedig toe dat hij tot twee keer toe, tot wanhoop gedreven, op het punt stond af te zien van het schrijven van The Ancestor’s Tale (2004). Telkens haalde zijn teerbeminde vrouw Lalla hem over om er toch mee door te gaan. Brief Candle is trouwens ook aan haar opgedragen.
 
Dit brengt ons bij de analyse van verschillende thema’s die hij aansneed en uitwerkte in zijn 12 boeken. Hij vreest dat het grandioos klinkt, maar zijn hoop is dat de optelsom van deze thema’s “a kind of biologist’s worldview” vormen, met op zijn minst een schijn van coherentie. Je kunt inderdaad spreken over zoiets als een Dawkinsiaans wereldbeeld, met als centraal element het potentieel onsterfelijke gen als fundamentele (maar niet-exclusieve) eenheid van selectie en het organisme als zijn tijdelijk vehikel. Andere belangrijke onderdelen zijn de idee dat die genetische vehikels extrasomatische extensies kunnen hebben (‘the extended phenotype’) zoals de in dit verband bijna spreekwoordelijke beverdam en bijhorend meer; de gedachte dat genen via hun vehikel andere vehikels manipuleren (‘action at a distance’); de idee dat de meeste genen samenwerken (‘the cooperative gene’) maar dat er ook ‘verstekelingen’ meeliften in het genoom of in zijn vehikel, zoals griep virussen (‘stowaways’); de evolutie van evolueerbaarheid (‘evolvability’: de ‘higher-level’ ‘selectie’ van afstammingslijnen die, wegens bepaalde kenmerken, het best zijn in het voortbrengen van nieuwe soorten); het concept van universeel darwinisme (de selectie van de best geadapteerde organismen is de enige manier waarop adaptieve evolutie mogelijk is in ons universum); de idee van memen, culturele equivalenten van genen die zich kunnen verspreiden in een cultuur via een selectieproces en, last but not least, een door sciëntisme geïnspireerd, rabiaat atheïsme.
 
Datzelfde fanatieke vertrouwen in de wetenschappelijke methode als manier om de natuur al haar geheimen te ontfutselen en dito waardering van deze onderneming, inspireert trouwens ook zijn kijk op de filosofie. Op de eerste pagina heeft hij het over zijn jeugdige, ontluikende interesse in “diepe filosofische vraagstukken die enkel door de wetenschap beantwoord kunnen worden” (p. 3). Wat moeten filosofen dan doen? Het antwoord volgt op pagina 333: “duidelijk en logisch denken.” Als we zijn wereldbeeld even kort onder die filosofische loep leggen, dan valt om te beginnen op dat hij er, ondanks zijn naam en faam als ‘fabulous wordsmith’, geen duidelijke naam op plakt. Die lijkt me nochtans voor de hand te liggen: ‘atheïstisch gencentrisch darwinisme’. Het historische tegendeel ervan, al dan niet theïstisch, organismecentrisch darwinisme, vermeldt hij niet eens. Hij heeft het wel over twee verschillende manieren om natuurlijke selectie te bekijken: de “gene’s eye view” en de “vehicle view.” Met zijn metafoor van de Necker kubus probeert hij, ook nu weer, duidelijk te maken dat het ‘maar’ om twee perfect inwisselbare perspectieven gaat. Dat staat haaks op de nadruk waar-mee hij, in The Selfish Gene, stelt dat het gen de ultieme eenheid van selectie is. Dawkins lijkt in die zin zijn eigen Osiander te zijn. De oplossing voor de paradox is echter simpel: wanneer hij het heeft over twee mogelijke perspectieven, vergeet hij te vermelden dat het gaat om twee zienswijzen binnen zijn gencentrische wereld. Hij maakt met andere woorden niet het onderscheid tussen methodologisch en ontologisch gencentrisme. Zo kun je ook ons zonnestelsel bekijken vanuit het standpunt van de aarde (methodologisch geocentrisme). Daarmee wordt het echter nog geen geocentrisch stelsel (ontologisch geocentrisme). De ‘gene’s eye view’ en de ‘vehicle view’ zijn inderdaad beide mogelijk, maar ontologisch gezien is het leven, in wezen, een gencentrisch fenomeen, zoals ons planetenstelsel ontologisch gezien een heliocentrisch fenomeen is. Kortom: Dawkins ziet zich terecht als medebedenker en vooral uitmuntend literair vertolker van ‘een’ biologisch wereldbeeld, maar het is misschien toch niet zo goed en coherent uitgewerkt als hij denkt.


Auteur: Richard Dawkins
Over de auteur: 

De Britse etholoog en evolutiebioloog Richard Dawkins is emeritus professor aan de Universiteit van Oxford en fellow van New College. De auteur van The Selfish Gene (1976), The God Delusion (2006) en een resem andere bestsellers verwierf naam en faam als popularisator en verdediger van het moderne, gencentrische darwinisme en als militant-atheïstisch intellectueel en humanist. Hij wordt algemeen gezien als een van de markantste denkers van onze tijd.  


Eerst verschenen: 2015
Uitgegeven door: Bantam Press
Bespreking door: Koen Tanghe