UGent

Kan creationisme wetenschappelijk zijn?

Auteur: Theodore Drange

Mijn antwoord op de titelvraag is een genuanceerde “Ja”. Hoewel dit een punt van discussie is, is een zekere en bijzondere vorm van creationisme in principe testbaar en verenigbaar met de natuurwetten en daarom dus wetenschappelijk. Ik kom tot mijn conclusie enkel en alleen op basis van gedachte-experimenten. Maar vooraleer we daartoe overgaan, moeten we bekijken wat creationisme is en wat een wetenschappelijke theorie inhoudt.

Wat is creationisme?

Er bestaan verschillende vormen van creationisme, maar in het algemeen is het de idee dat het universum, het leven of de mensheid, of eender welke combinatie van deze drie, ontworpen is door een wezen of een aantal wezens. Soms spreekt men over “de theorie van het intelligent design”. Meestal neemt het creationisme de vorm aan van theïstisch creationisme; de idee dat de ontwerper God was, zoals begrepen in de Westerse religies. Een speciale versie van het theïstisch creationisme is het bijbels creationisme dat inhoudt dat God het universum, het leven en de mensheid heeft geschapen zoals beschreven staat in de Bijbel (dat wil zeggen, in een periode van zes dagen, ongeveer 6000 jaar geleden, zoals we kunnen afleiden uit de genealogieën beschreven in hoofdstuk 5 en 11 van Genesis en hoofdstuk 3 van Lucas). Er zijn ook andere versies van het theïstisch creationisme. Twee ervan zijn wat men vaak “het progressief creationisme” en “het theïstisch evolutionisme” noemt. .

Volgens het progressief creationisme heeft God de wereld, het leven en de mensheid geschapen, maar weliswaar over een periode van miljarden jaren. Tijdens deze tijdspanne evolueerden verschillende soorten uit eerdere soorten en intervenieerde God regelmatig om het proces te versnellen. Zonder Gods hulp zou de evolutie nooit zo snel vooruitgang hebben kunnen boeken als dat het geval is op onze planeet.
Het theïstisch evolutionisme is liberaler, daar het ervan uit gaat dat God enkel de wereld en de meest eenvoudige vorm van bestaan heeft geschapen en dus geen enkele complexe vorm van leven, inclusief de mensheid. Het idee is dat God van het toneel verdween nadat hij ongeveer drie miljard jaar geleden een heel eenvoudige vorm van leven heeft geschapen op onze planeet. Daarna liet hij alles over aan de evolutie door middel van natuurlijke selectie. Alle vormen van leven op onze planeet zoals we die nu kennen, inclusief mensen, zijn dus afkomstig (enkel door natuurlijke middelen) van die allereerste vorm van leven. Een nog meer liberaal begrip, hetgeen we “deïstisch evolutionisme” kunnen noemen, claimt dat God enkel het universum heeft geschapen (ongeveer vijftien miljard jaar geleden) en niets anders. Alles buiten het universum zelf, inclusief de aarde en de eerste vorm van leven, zijn ontstaan door natuurlijke processen.

Er kunnen in principe ook vormen van creationisme zijn die niet refereren aan God of aan bovennatuurlijke entiteiten. Deze vormen kunnen we onderbrengen onder de categorie van het naturalistisch creationisme. De hypothetische ontwerper(s) is/zijn in dat geval een wezen of een groep van wezens dat/die werkzaam is/zijn in het natuurlijke rijk en in overeenstemming met de natuurwetten. Misschien zijn er inderdaad machtige buitenaardse wezen die de aarde hebben bezocht en die de dingen op onze aarde hebben ontworpen. Omdat deze ontwerpende activiteit opgezet is door een groep wezens eerder dan door één wezen, moet men hier eerder naar verwijzen als “de ontwerper(s) (met kleine “o”) en de persoonlijke voornaamwoorden die men hiervoor moet gebruiken zijn “zij,” hun” en “hen”. Zulke meervoudige voornaamwoorden helpen voorkomen dat men verglijdt naar het theïstisch creationisme dat bijna altijd mannelijke enkelvoudige voornaamwoorden (soms met hoofdletter) gebruikt. Het punt hier is dat het naturalistisch creationisme een betrekkelijk andere theorie is dan alle vormen van creationisme die refereren aan God en dat verschil moet voortdurend beklemtoond worden.

Het naturalistisch creationisme is ook verschillend van wat men “de theorie van het abrupte verschijnen” noemt, dat wordt gedefinieerd als “abrupte verschijning in een complexe vorm postuleren”(1) en niet direct verwijst naar de idee van ontwerpen. Het naturalistisch creationisme kan beschouwd worden als superieur aan deze theorie omdat zij poogt een verklaring te geven voor het leven of voor biologische verandering terwijl de theorie van het abrupte verschijnen dat niet doet. Zeggen dat iets “abrupt verscheen” is redelijk vaag (dat kan ook gezegd worden van een party crasher). Het concept is niet enkel inhoudsloos aangezien het de mogelijkheid van ontwerpen openhoudt, maar is ook verenigbaar met andere ideeën, zoals het plotse ontstaan uit het niets. In tegenstelling daarmee brengt het naturalistisch creationisme een verklarend concept naar voren en verdient het dus het label “theorie.” Omwille van de vaagheid verdient de zogenaamde “theorie van het abrupte verschijnen” dit label niet.

Wat maakt een theorie wetenschappelijk?

Theorieën zijn verzamelingen van stellingen die aangebracht worden om feiten of waarnemingen te verklaren. Als deze verzamelingen van stellingen door heel wat mensen als waar worden beschouwd, worden zij feiten (of verzamelingen van feiten). Een voorbeeld is de heliocentrische theorie van het zonnestelsel. Hoewel deze theorie in oorsprong niet als waar werd beschouwd, werd deze theorie een aantal eeuwen geleden een verzameling van feiten. Ik zou zeggen dat een wetenschappelijke theorie een theorie is die kan voortgebracht worden door of gebruikt kan worden in de wetenschap. Vandaar dat een wetenschappelijke theorie de empirische methode, die berust op interpersoonlijke observaties binnen het kader van de natuurwetten, moet kunnen gebruiken. Het belangrijkste criterium om te evalueren of een theorie de empirische methode gebruikt is te bekijken of de theorie al dan niet 1) testbaar is (dat wil zeggen dat er testmethodes omschreven kunnen worden voor de theorie die steunen op interpersoonlijke observaties) en 2) verenigbaar is met de natuurwetten (dat wil zeggen conform de gekende wetten der natuur).

De theorie moet niet waar zijn en hoeft niet gebruikt te worden door hedendaagse wetenschappers, maar het moet wel dat soort theorie zijn. Wetenschappelijke theorieën voldoen aan het criterium van de empirische methode, terwijl onwetenschappelijke theorieën aan dit criterium beantwoorden. Als een theorie niet wetenschappelijk is dan is dat omdat er op een andere dan op empirische wijze kennis wordt vergaard, bijvoorbeeld door middel van een gedachtestelsel dat gebaseerd is op openbaring of autoriteit, of iets dat enkel is afgeleid uit persoonlijke ervaring of verbeelding, eerder dan op interpersoonlijke waarneming.

 

Als paradigmatisch voorbeeld van een onwetenschappelijke theorie draag ik de “gremlintheorie van de kapotte auto” naar voren. Deze theorie houdt in dat de gremlins die in deze auto’s aanwezig zijn de verklaring zijn voor het feit dat sommige auto’s niet starten, waarbij gremlins worden beschouwd als wezens die niet op te sporen zijn en die zich bevinden in de motor van de auto en ervoor zorgen dat deze soms niet werkt. Dit doen ze door middel van een bovennatuurlijke kracht die hen ook in staat stelt om te ontsnappen aan de waarneming, hoe gesofisticeerd de onderzoeker zijn/haar onderzoeksmiddelen ook mogen zijn. Laten we de voorspelling in beschouwing nemen dat gremlins kunnen verhinderen dat een bepaalde auto start. Is dit testbaar? Ik zou zeggen “voor een stuk, niet helemaal”. De voorspelling kan beschouwd worden als de conjunctie van de twee volgende bewerkingen:

  1. De motor van de auto zal niet starten
  2. De oorzaak daarvan zijn de gremlins

Enkel bewering (1) is testbaar, (2) niet. Aangezien bewering (2) gefalsifieerd kan worden, kan de volledige voorspelling gefalsifieerd worden. Maar de falsifieerbaarheid van een voorspelling is niet genoeg om de theorie waarop de voorspelling wordt gebaseerd testbaar te maken. Aangezien een deel van elke voorspelling die gemaakt wordt op basis van deze theorie niet testbaar is, is de theorie zelf niet testbaar en kan daarom niet “wetenschappelijk” genoemd worden. De theorie kan daarenboven ook niet in overeenstemming gebracht worden met de natuurwet, aangezien gremlins dingen doen door middel van krachten die niet gekend zijn binnen de natuurwetten. Dat is een tweede reden om de gremlintheorie als onwetenschappelijk te beschouwen.

Op deze argumentatie werpt men tegen dat de poging om een scheidingslijn tussen wetenschappelijke en onwetenschappelijke theorieën te trekken misleidend is. Hier geeft men gewoonlijk twee argumenten voor. Het eerste argument is dat al de voorgestelde definities van “wetenschappelijke theorie” gebrekkig zijn omdat er altijd vage elementen in de respectievelijke definities gebruikt worden. Het tweede argument is dat, zelfs al zou de grens duidelijk gemaakt kunnen worden, het onderscheid tussen wetenschappelijke en onwetenschappelijke theorieën niet zinvol is en wel omdat, welk het doel van dit onderscheid ook moge zijn, het beter is om dat vooropgestelde doel te bereiken door een ander onderscheid te maken, namelijk tussen “goede” en “slechte” theorieën. We bekijken beide bemerkingen van naderbij.

De eerste bemerking houdt in dat de verschillende pogingen om een onderscheid te maken tussen wetenschappelijke en onwetenschappelijke theorieën mislukkingen zijn.
Maar wat is er verkeerd met het criterium dat ik eerder voorstelde: dat een theorie enkel wetenschappelijk is als deze (1) empirisch getest kan worden en (2) in overeenstemming is met de natuurwetten? In dat kader stellen de critici dat bepaalde theorieën in de fysica niet tegemoetkomen aan voorwaarde (1): de kwantumtheorie bijvoorbeeld kan niet empirisch getest worden omdat er in de theorie sprake is van deeltjes die in principe niet observeerbaar zijn. Mijn antwoord daarop is dat dit een te enge perceptie van testbaarheid is. Het feit dat de kwantumtheorie empirisch testbare voorspellingen genereert, volstaat om te voldoen aan voorwaarde (1). Hoewel de details van deze kwestie buiten het bestek van dit essay liggen, wil ik desalniettemin opmerken dat de voorwaarde van testbaarheid een redelijk standaard criterium is dat bovendien gebruikt wordt door wetenschappers en wetenschapsfilosofen.

De tweede bemerking houdt in dat het onderscheid tussen wetenschappelijke en onwetenschappelijke theorieën niet zinvol is, ervan uitgaande dat er überhaupt een onderscheid gemaakt kan worden tussen wetenschappelijke en onwetenschappelijke theorieën. Maar dit onderscheid is wel zinvol! Een eerste reden is pedagogisch; scholen moeten kunnen beslissen wat thuishoort onder de noemer “wetenschappelijk” en wat niet. Een aanverwante reden heeft betrekking op publicaties en bibliotheken; uitgevers en bibliothecarissen moeten kunnen uitmaken welke manuscripten en essays “wetenschappelijk” zijn en welke boeken behoren tot de afdeling “wetenschap”. Een derde reden heeft te maken met subsidiëring; instellingen zoals de National Science Foundation moeten kunnen beslissen of een onderzoeksproject al dan niet “wetenschappelijk” is. Er zijn veel doelen die gediend worden met het onderscheid tussen wetenschappelijke en onwetenschappelijke theorieën. De tegenwerping die we hier bekijken, houdt eveneens in dat het beter is een ander onderscheid te maken, namelijk tussen “goede” en “slechte” theorieën. De reden waarom de gremlinthorie niet onderwezen, gesubsidieerd, gepubliceerd of opgenomen moet worden in bibliotheken is dus niet omdat deze theorie “onwetenschappelijk” is, maar wel omdat het een “slechte” theorie is. Mijn antwoord daarop is in de eerste plaats dat het onderscheid tussen “goede” en “slechte” theorieën niet duidelijker of makkelijker te maken valt dan het onderscheid tussen “wetenschappelijk” en “onwetenschappelijk”. Ten tweede is het zo het onderscheid tussen wetenschappelijk versus onwetenschappelijk noodzakelijk blijft gezien onze huidige instellingen. Bibliotheken en scholen zullen bijvoorbeeld altijd “wetenschappelijke” afdelingen en “wetenschappelijke” vakken hebben, en geen “goede theorie”-afdelingen of “goede theorie”-vakken. Het voorstel van de critici is gewoonweg niet werkbaar gegeven de organisatorische structuren in de huidige instellingen. Vandaar dat ik deze tegenwerping als niet overtuigend beschouw.

In wat volgt, bouw ik verder op de veronderstelling dat er een scheidingslijn getrokken kan worden tussen wetenschappelijke en onwetenschappelijke theorieën, in de trend van hetgeen hierboven werd gesteld. Daarenboven ga ik er ook vanuit dat de kritiek op zo’n uitgangspunt van tafel geveegd kan worden.

Kan creationisme wetenschappelijk zijn?

Op basis van wat we tot nu toe naar voren hebben gebracht, kunnen we een antwoord formuleren op de hoofdvraag. Het criterium van wetenschappelijkheid zoals we dat eerder hebben omschreven vereist dat de theorie: (1) testbaar is en (2) in overeenstemming is met de natuurwetten. Er is geen manier waarop het theïstisch creationisme kan voldoen aan beide delen van dit criterium, hoewel deze theorie mogelijks wel kan voldoen aan het eerste deel van deze voorwaarde. Laat ons de twee delen van de voorwaarden apart bekijken. In de eerste plaats geloven veel mensen dat God de geest is die tijd en ruimte overstijgt. In dat opzicht wordt God in dezelfde categorie als de gremlins geplaatst, althans voor zover we het hebben over interpersoonlijke observatie. Er is geen manier om een geest of eender wat dat ruimte en tijd overstijgt of iets dat eeuwig, alomtegenwoordig en almachtig is, waar te nemen. Er kan geen testmethode voor een van deze eigenschappen omschreven worden en als God dus beschouwd wordt op die manier, dan is wat ik de God-hypothese noem duidelijk niet testbaar. Ik wil wel toegeven dat er evenwel andere concepties van God kunnen zijn die niet zulk een kenmerken aan God toeschrijven en dat wat deze andere concepties van God betreft de God-hypothese wel kan voldoen aan de voorwaarde van testbaarheid. In dit essay ga ik echter niet verder in op deze mogelijkheid.

Ten tweede wordt God verondersteld om mirakels te verrichten. Maar mirakels zijn per definitie niet in overeenstemming met de natuurwetten. In tegendeel zelfs, want mirakels worden geacht niet verklaarbaar te zijn door natuurlijke oorzaken. Hoe kan zoiets dan passen in de wetenschap? In alles wat wetenschappers doen, nemen wetenschappers aan dat de natuurwetten van kracht zijn. Veronderstel dat er iets ongewoons zou gebeuren. Hoe kan een wetenschapper dan eigenlijk verzekeren dat dit blijvend voorbij de verklaringen ligt die zich baseren op de natuurwetten (of dat het wordt gegenereerd door een bovennatuurlijke kracht)? Het lijkt alsof er geen manier is waarop de empirische methode kan toegepast worden op mirakels of het bovennatuurlijke. Daaruit volgt dat het concept van God ook buiten de wetenschap ligt, aangezien het concept God in essentie verbonden is aan mirakels en het bovennatuurlijke. In tegenstelling dus tot de mogelijkheid dat er versies van de God-hypothese kunnen zijn die voldoen aan de eerste voorwaarde (testbaarheid), zijn er geen versies van de God-hypothese die voldoen aan de tweede voorwaarde (verenigbaarheid met de natuurwetten). Om die reden kan geen enkele vorm van het theïstisch creationisme beschouwd worden als een wetenschappelijke theorie.

Er zijn heel wat pogingen ondernomen om God te relateren aan natuurlijke gebeurtenissen zoals de “big bang” of het ontstaan van het eerste leven, maar deze pogingen zijn allemaal mislukt. Zeggen dat “God ervoor zorgde” voegt niets toe aan ons begrip van de wereld als we geen helder idee hebben wat God is of hoe God geacht wordt zoiets te doen, behalve dan de manier waarop hij de dingen doet niet beantwoordt aan de wetten der natuur. Een speciaal probleem komt naar voren als God gedefinieerd wordt als een wezen dat zowel perfect als transcendent is omdat het dan een contradictie is om te zeggen dat God een actie uitvoert binnen het gekende tijdruimtelijke kader. Perfecte wezen (waaraan er niets mankeert) hebben geen reden om iets te doen en transcendente wezen zijn niet aanwezig in tijd en ruimte om een tijdruimtelijke actie uit te voeren. In elk geval is God per definitie supernatuurlijk en het supernatuurlijk ligt per definitie buiten de empirische methode en de wetenschappelijke manier van werken. Vandaar dat de idee dat de wetenschap evidentie naar voren draagt voor het bestaan van God op een misvatting berust.

In mijn antwoord op de hoofdvraag zou ik evenwel willen antwoorden “Ja, creationisme kan een wetenschappelijke theorie zijn” omdat het naturalistisch creationisme (in sterk contrast met het theïstisch creationisme) wetenschappelijk kan zijn als deze theorie de empirische methode zou gebruiken. Dat is totnogtoe niet gebeurd, maar het is wel mogelijk. Het punt hier is dat er niets in de idee van ‘ontwerp’ vervat zit dat wetenschappelijk onderzoek uitsluit. De reden waarom het theïstisch creationisme onwetenschappelijk is, heeft te maken met het feit dat deze theorie theïstisch is en niet met het feit dat deze theorie zich beroept op de idee van ontwerp. Dat het zich beroepen op de idee van ontwerp een theorie niet per definitie onwetenschappelijk maakt, toont de psychologie aan die de creativiteit van mensen en andere soorten bestudeert. De idee van “een handeling van ontwerp” is perfect in overeenstemming met de wetenschap.

Aangezien het naturalistisch creationisme zich niet beroept op iets dat buiten de wetenschap ligt, kan het, onder bepaalde voorwaarden, een wetenschappelijke theorie zijn. Veronderstel bijvoorbeeld dat buitenaardse wezens zich aan ons zouden tonen en ons zouden tonen hoe zij de “dingen” lang geleden hebben ontworpen op de aarde. Zo’n gebeurtenissen zouden de theorie van het naturalistisch progressief creationisme hoogstwaarschijnlijk maken. (Maar bemerk dat dit niet iets is wat een bovennatuurlijk wezen zou kunnen doen, aangezien we de idee bovennatuurlijk niet anders kunnen begrijpen als iets mysterieus en eeuwig onverklaarbaar). Eens de buitenaardse wezens hun techniek aan ons kenbaar maken, zouden we de empirische methode kunnen gebruiken tijdens onze waarnemingen, zouden we hypotheses rond deze waarnemingen kunnen formuleren en testbare voorspellingen op basis van de natuurwetten naar voren kunnen brengen. Feiten over biologie zouden verklaard kunnen worden door te verwijzen naar nieuwe hypotheses. We zouden dan aan wetenschap doen die zich rondom de theorie van naturalistisch creationisme wentelt.

De vraag die zich dan stelt, is of er een mogelijkheid bestaat om het naturalistisch creationisme op wetenschappelijke wijze te gebruiken als de ontwerper(s) niets onthult/onthullen. Is het mogelijk om de theorie van het naturalistisch creationisme op wetenschappelijke wijze te gebruiken zoals de zaken er nu voorstaan? Waarschijnlijk niet. Maar indien dit niet het geval is (dat wil zegen als de hypothetische ontwerper(s) verborgen blijven) wat is dan het verschil tussen deze ontwerper(s) en de gremlins waar we eerder naar verwezen? Is het naturalistisch creationisme dan niet even onwetenschappelijk als de gremlintheorie van de kapotte auto?
Er is mijns inziens toch een aantal verschillen. De ontwerper of ontwerpers zou een natuurlijk wezen of zouden natuurlijke wezens zijn, en dus niet bovennatuurlijk. Op basis van de assumptie dat het mogelijk is dat de ontwerper(s) zich aan ons laat/laten zien en ons nieuwe info geeft/geven, kunnen we het naturalistisch creationisme als een wetenschappelijke theorie beschouwen. Vanuit een zuiver conceptueel oogpunt kan het naturalistisch creationisme potentieel wetenschappelijk zijn, in tegenstelling tot de gremlintheorie.

Men kan tegenwerpen dat het onderscheid tussen wetenschappelijke en onwetenschappelijke theorieën een zuiver filosofisch onderscheid is dat niet relevant is voor de huidige wetenschap of het onderwijzen van wetenschap. Dat is een bemerking waarmee ik het eens ben; uit de premisse dat het naturalistisch creationisme een potentieel wetenschappelijke theorie is, volgt immers niet dat het naturalistisch creationisme onderwezen moet worden in wetenschappelijke vakken. Ik ga verder in op dit punt in de volgende twee onderdelen van mijn essay.

Naturalistisch creationisme versus de evolutietheorie

Hoewel onwetenschappelijke theorieën zoals het theïstisch creationisme niet beoordeeld kunnen worden op basis van de criteria van de wetenschap slaagt het naturalistisch creationisme hier wel in.
Het belangrijkste criterium is dat van de verklarende kracht. Dit heeft te maken met de mate waarin de theorie verschillende feiten en fenomenen die een uitleg behoeven kan verklaren. Wanneer we naar de feiten kijken, is het duidelijk dat de feiten en fenomenen veel beter verklaard worden door de evolutietheorie dan door het naturalistisch creationisme. We nemen twee voorbeelden.

Waarom bestaan er zoveel verschillende soorten planten en dieren? Er bestaan immers miljoenen soorten. De evolutietheorie verklaart dit door de processen van mutatie en natuurlijke selectie. Mutaties gebeuren onverwacht en brengen miljoenen verschillende variëteiten voort en organismen evolueren zo dat zij aangepast zijn aan hun omgeving. Aangezien er enorm veel verschillende omgevingen zijn en zoveel verschillende manieren zijn om aangepast te zijn aan een bepaalde omgeving zijn er miljoenen mutaties die overleven.
Het antwoord dat het naturalistisch creationisme kan geven op onze vraag is in tegenstelling tot het antwoord van de evolutietheorie onbevredigend. Waarom zou(den) de ontwerper(s) zoveel verschillende soorten hebben willen ontwikkelen? De theorie kan enkel antwoorden dat de ontwerper(s) er een reden voor had(den), maar dat het niet duidelijk is welke die reden was. In feite is die uitleg niet meer dan zich beroepen op een “mysterie” en dat kunnen we niet beschouwen als een bevredigende verklaring.

Hoe komt het dat de verschillende soorten in de wereld, inclusief de uitgestorven soorten, zowel in minder als meer complexe vormen voorkomen en dat er tussen die verschillende vormen al te grote kloven zitten? Hoe komt het met andere woorden dat de miljoenen soorten variëren van zeer eenvoudig tot zeer complex? Waarom zijn niet alle soorten niet allemaal van dezelfde complexiteit? De evolutietheorie verklaart dit door te stellen dat, gezien de evolutie (afstamming met wijzigingen) reeds miljoenen jaren plaatsvindt, nieuwe soorten langzaamaan complexer zijn geworden en dat tengevolge van het proces van natuurlijke selectie zelf. De meeste complexe soort op onze aarde is dus relatief recent en de minder complexe vormen bestaan al langer. De enige manier waarop het naturalistisch creationisme dit simpel-tot-complex-spectrum van soorten kan verklaren is door te stellen dat de ontwerper(s) een reden had(den) om de soorten zo te ontwerpen, maar dat het onduidelijk is welke die reden was. Dit is zich opnieuw beroepen op een “mysterie” en deze uitleg is niet bevredigend.

Waarom werden de oudste fossielen van eenvoudige organismen (zoals insecten) enkel gevonden in oudere gesteenten, terwijl de oudste fossielen van meer complexe organismen (zoals zoogdieren) werden gevonden in relatief jongere gesteenten? En waarom is er een tijdsspectrum gaande van de oudste fossielen van de eenvoudigere organismen tot de oudste fossielen van meer complexe organismen, zonder grote hiaten daartussen? Het is duidelijk hoe dit verklaard kan worden door de evolutietheorie. Maar wederom heeft het naturalistisch creationisme geen andere verklaring dan één waarin zij zich beroept op de mysterieuze redenen van de ontwerper(s).

Waarom verschillen geografisch geïsoleerde organismen, zoals op verlaten eilanden, altijd (in duizenden verschillende gevallen) radicaal van aanverwante soorten die gevonden worden op het vasteland of elders in de wereld? De evolutietheorie kan dit gemakkelijk verklaren omdat de eilanden geleidelijk aan van het vasteland afdreven, was er steeds minder contact met het vasteland en kwamen er steeds minder kruisingen voor totdat er uiteindelijk geen kruisingen meer ontstonden. Vanaf dat moment volgden de soorten op de respectievelijke eilanden hun eigen evolutie. En omdat de omgeving anders was dan elders en omdat de mutaties die ontstonden anders waren dan de mutaties elders, ligt het in de lijn der verwachtingen dat zich op het eiland volledige unieke soorten ontwikkelden. Het is absurd om aan te brengen dat de ontwerper(s), om een mysterieuze reden, honderden verschillende geïsoleerde plaatsen (meestal eilanden) bezocht(en) en de soorten allemaal apart (dat wil zeggen verschillend van elkaar) ontwierp(en). Welke mogelijk motief zou(den) hij/zij daarvoor hebben kunnen gehad? Er kan geen overtuigend antwoord op deze vraag gegeven worden.

Er zijn duizenden andere feiten waarvoor de evolutietheorie een bevredigende verklaring voor kan formuleren. Dit toont aan dat de evolutietheorie een veel betere theorie is dan het naturalistisch creationisme wanneer we de verklarende kracht van een theorie als criterium nemen. Men kan tegenwerpen dat er één ding is dat de evolutietheorie evenwel niet kan verklaren, namelijk het ontstaan van de wereld. Of dit nu al dan niet zo is, is een controversiële materie. Indien het echter waar blijkt te zijn dat de evolutietheorie het ontstaan van de wereld niet kan verklaren, dan impliceert dit nog niet dat het naturalistisch creationisme de bovenhand haalt. Het heeft weinig zin te verklaren dat “Het de ontwerper(s) was/waren die de wereld ontwierpen” en wel omdat we dan nog steeds niet weten wat deze ontwerper(s) is/zijn of waar hij/zij vandaan komt/komen. Daarenboven stelt zich de vraag hoe het kan dat de ontwerper(s), die geacht wordt/worden een natuurlijk wezen of natuurlijke wezens te zijn, kan/kunnen bestaan vóór het bestaan van de wereld? Men geeft geen verklaring als men zich beroept op een mysterie. Alles welbeschouwd is het daardoor duidelijk dat de evolutietheorie een grotere verklaringskracht heeft dan het naturalistisch creationisme.

Een ander criterium om verschillende theorieën die hetzelfde trachten te verklaren met elkaar te vergelijken is de eenvoud van de respectievelijke theorieën. Opnieuw is het hier de evolutietheorie die wint, aangezien deze zich enkel beroept op de natuurwetten en -processen die we al kennen en die getest kunnen worden onafhankelijk van de theorie zelf. Aan de andere kant beroept het naturalistisch creationisme zich op iets dat voorbij de natuurwetten en –processen ligt, namelijk de ontwerper(s) en zijn/haar/hun wetten en processen. Daarmee schendt het naturalistisch creationisme het principe van Parsimony: “vermenigvuldig niet meer dan nodig”. Als al de rest hetzelfde is, moet men altijd voorrang geven aan de meest eenvoudige verklaring, en dat is in dit geval de evolutietheorie.

Nog een ander criterium om theorieën te beoordelen is de vruchtbaarheid van een theorie. Daarmee bedoelen we de mogelijkheid van een theorie om meer onderzoek en meer kennis te genereren. Ook hier haalt de evolutietheorie het van het naturalistisch creationisme aangezien de evolutietheorie een groot aantal nieuwe onderzoeksvelden heeft gegenereerd voor duizenden wetenschappers, gaande van paleontologen over fysische antropologen tot biochemici die het ontstaan van het leven onderzoeken. Alle vormen van creationisme daarentegen lopen uit op een dood spoor waardoor er geen verder onderzoek gegenereerd wordt.

De verklarende kracht, eenvoud en vruchtbaarheid zijn de meest gebruikte criteria om wetenschappelijke verklaringen te beoordelen. Wanneer we de evolutietheorie vergelijken met het naturalistisch creationisme op basis van deze criteria dan blijkt de evolutietheorie de verdiende winnaar. En dat op zich is een goed reden om het naturalistisch creationisme niet te onderwijzen in een wetenschappelijk vak. Het naturalistisch creationisme daar onderwijzen is in feite niet meer dan het geocentrisme onderwijzen of de idee onderwijzen dat de aarde plat is; beide theorieën die we niet onderwijzen net omdat zij zo slecht scoren als ze worden beoordeeld op drie hoger genoemde criteria. Als we het naturalistisch creationisme al als wetenschap beschouwen, dan is het in elk geval heel slechte wetenschap, zoals een theorie die sinds geruime tijd verworpen wordt. Er zijn belangrijkere dingen om te onderwijzen in wetenschappelijk vakken dan slechte theorieën.

De filosoof Larry Laudan zegt:
De kern van de zaak is niet of het Creationisme beantwoordt aan bepaalde weinig veeleisende en hoogst controversiële definities van wat wetenschappelijk is; de echte vraag is of de bestaande bewijslast de sterkste argumenten levert voor de evolutietheorie dan wel voor het Creationisme. Eens die vraag wordt gesteld, weten we wat onderwezen moet worden en wat niet. De discussie over de wetenschappelijke status van het Creationisme … een afleidingsmanoeuvre dat onze aandacht werkelijk afleidt van hetgeen ons echt zou moeten bezighouden.(2)
Laudan bemerkt hier iets dat in de lijn ligt van de hogervernoemde tweede bemerking tegen het onderscheid tussen wetenschappelijke en onwetenschappelijke theorieën (zie punt twee van dit essay). Ik ben het niet eens met Laudan als hij zegt dat de wetenschappelijkheid van het creationisme een afleidingsmanoeuvre is aangezien er, zoals ik heb trachten aan te tonen, sterke argumenten zijn om aan te nemen dat het theïstisch creationisme daadwerkelijk onwetenschappelijk is. Als een theorie onwetenschappelijk is dan heeft het niet veel zin om te spreken over bewijslast. Aangezien er geen manier is waarop er bewijslast kan aangebracht worden voor zo’n theorie kan men ook niet tegemoetkomen aan hetgeen Laudan stelt, namelijk het creationisme vergelijken met de evolutietheorie op basis van de sterkte van de bewijslast van beide theorieën. Als Laudan echter enkel zou stellen dat er in principe een vorm van creationisme is die kan vergeleken worden met de evolutietheorie en geëvalueerd kan worden op basis van de gebruikelijke criteria voor een wetenschappelijke verklaring dan zou ik wel akkoord zijn. Ik zou het evenzeer met hem eens zijn dat zulk een vorm van creationisme niet in de wetenschappelijke vakken aan bod moet komen omdat het creationisme, gemeten aan de gebruikelijke criteria, zo slecht scoort.

Het probleem van het hellend vlak

Nog een andere reden waarom het naturalistisch creationisme niet aan bod mag komen in de wetenschappelijke vakken is van zuiver pedagogische aard: het zou de aanzet voor leerkrachten zijn om van naturalistisch naar theïstisch creationisme te over te gaan. Zelfs als men in aanvang enkel zou spreken over de “ontwerper(s)” (wat op zich al vreemd is) dan zou men na een tijdje vrijwel zeker ook gaan praten over “de ontwerper”, nog later over “de Ontwerper” en uiteindelijk zou men het hebben over de idee “God”. En dat zou een slechte zaak zijn. Het theïstisch creationisme onderwijzen in wetenschappelijke vakken zou slecht zijn omdat het niet eens een potentieel wetenschappelijke theorie is en dus is het totaal misplaatst om het te onderwijzen in een wetenschappelijk vak.

De vernoemde reden is van toepassing op alle scholen, maar er is een bijkomende reden waarom deze reden in het bijzonder van toepassing is op publieke scholen. We kunnen stellen dat het theïstisch creationisme, en meer bepaald het bijbels creationisme, een vorm van religie is en door dit te onderwijzen als wetenschap in publieke scholen installeert men als het ware de “kerk in de staat”, wat een schending zou zijn van het principe van scheiding tussen kerk en staat zoals beschreven staat in de Amerikaanse grondwet. Het ongrondwettelijk onderwijzen van het theïstisch creationisme als wetenschap in openbare scholen werd reeds veroordeeld door de rechtbank.

Maar de kwestie hier is het naturalistisch creationisme. Waarom zouden diegenen die het hebben over naturalistisch creationisme waarschijnlijk verglijden naar de theïstische variant? Een reden is dat het naturalistisch creationisme een volledig ongekend theorie is, zelfs in de context die we in onze hoofdvraag hebben meegegeven. Er wordt van het naturalistisch creationisme bijvoorbeeld geen gewag van gemaakt in de bloemlezing van Ruse But is it Science?(3), noch werd er iets van gezegd op het symposium “Is een wetenschappelijke theorie van het intelligent design mogelijk”? dat gehouden werd op een bijeenkomst van de Amerikaanse Wetenschappelijke Vereniging in 1993 (4). Er is geen enkele wetenschapper die het naturalistisch creationisme wetenschap genoemd heeft, laat staan dit gevolgd te hebben.

Er is geen enkele wetenschapper die een relatie aangaat met het naturalistisch creationisme. De menigte heeft er nooit over gehoord en als men ervan op de hoogte zou zijn, zou men ontzet zijn. Mensen zouden dingen zeggen zoals “Dat is niet wat mij onderwezen moet worden”. Iedereen die denkt over creationisme of de term “creationisme” gebruikt, gebruikt het in de theïstische betekenis van het woord. Het creationisme neemt, zowel voor de publieke opinie, als voor creationisten en anti-creationisten, altijd de vorm van het theïstisch creationisme aan. Dus het is bijna zeker dat in geval een leerkracht en zijn/haar studenten het in aanvang enkel zouden hebben over naturalistisch creationisme zij zouden eindigen bij de meer gekende theïstisch versie.

Een andere reden waarom zulke “verglijding” waarschijnlijk zou voorkomen, is dat iedereen die wil dat het creationisme wordt onderwezen de theïstische versie in gedachten heeft (en meer in het bijzonder de bijbelse versie). Met andere woorden, zelfs als de minder gekende naturalistische vorm meer gekend zou worden, dan is dit niet wat men zou willen. Er is dus weinig of geen motivatie om het naturalistisch creationisme te bediscussiëren, noch in de klas, noch elders; diegenen die het creationisme in de klas willen bediscussieerd zien worden hebben het , theïstisch creationisme in gedachten.

Mijn conclusie is dat het naturalistische creationisme onder bepaalde voorwaarden een “wetenschappelijke theorie” te noemen (of “een potentieel wetenschappelijke theorie”) juist is, maar toch een punt van discussie blijft. Het feit dat deze theorie onder bepaalde voorwaarden wetenschappelijk of potentieel wetenschappelijk genoemd mag worden, mag men niet beschouwen als een reden om hier beleidsmatige gevolgen aan te verbinden. Er zijn uitstekende redenen (zowel van wetenschappelijke als pedagogische aard) voor onderwijzers om de theorie van het naturalistische creationisme niet aan te kaarten of te onderwijzen in wetenschappelijke vakken. Laat onze classificatie van het creationisme als “mogelijk wetenschappelijk” daarom een zuiver theoretisch punt in de wetenschapsfilosofie blijven.

  1. W.R. Bird, The Origini of Species Revisited: The Theories of Evolution and Abrupt Appearace, two volumes (New York: Philosophical Library, 1987). See vol. I, p. 18.
  2. Larry Laudan, “Science at the Bar—Causes for Concern,” Science, Techonology, & Human Valuses 7, no. 41 (1982), pp. 18-19. Reprinted in Ruse, zie verder, pp. 354-355.
  3. Michael Ruse, ed., But Is It Science? The Philosophical Question in the Creation/Evoltuion Controversy (Amherst, NY: Prometheus Books, 1988).
  4. Zie het rapport van Paul Nelson over dit symposium op het internet op: http://www.arn.org/docs/orpages/or152/152main.htm.

Vertaler: Joyce Bollen
Zie ookWaarom Intelligent Design geen wetenschappelijk alternatief is voor de evolutietheorie