UGent

Wat is de kern van Darwins evolutietheorie?

Auteur: Geerdt Magiels - onafhankelijke onderzoeker

In de volksmond heeft ‘theorie’ en rare bijsmaak. Als men zegt “dat is maar theoretisch” of “ja, dat is de theorie, maar...”dan bedoelt men dat een theorie slechts een tijdelijke opwerping is waar je best niet te veel op vertrouwt. Tussen theorie en praktijk ligt dan een diepe kloof. De theorie is slechts een verhaaltje met beperkte houdbaarheid. Maar als wetenschappers het over een theorie hebben, bedoelen ze iets heel specifieks. Een theorie is voor hen een kader waarbinnen een verzameling van fundamentele uitgangspunten over de wereld (of een deel ervan) leidt naar een specifieke set vergelijkingen en voorspellingen. Een theorie is als een gereedschapskoffer. Je gaat er van uit dat je met de gereedschappen in die koffer het merendeel van de problemen die je zal tegenkomen ook zal kunnen oplossen. Tussen de inbussleutels en de parkerschroeven, tussen de hamer en de trektang, liggen de onuitgesproken gedachten en overtuigingen dat alles in deze wereld met haken en ogen aan elkaar hangt en dat je met het juiste gerief en de gepaste kennis van techniek en natuurwetten (zonder zwaartekracht blijft geen schilderij aan de muur hangen) heel wat in elkaar kan knutselen. Bij wijze van spreken. Want een wetenschappelijke theorie wordt niet noodzakelijk kant en klaar geleverd. Ook Einstein was een tiental jaren bezig voor zijn algemene relativiteitstheorie op punt stond. Theorieën beginnen meestal als hypothesen en groeien uit tot een geheel van bevindingen, standaardvoorbeelden, basismetingen en fundamentele formules.
Na een tijdje past het allemaal in elkaar en wordt een theorie een stabiel geheel. En ook dan nog zijn niet alle problemen opgelost. De theorie biedt hoogstens de instrumenten om de onopgeloste vragen te lijf te gaan. Waarbij de kans groot is dat bepaalde onderdelen van de theorie op basis van nieuwe bevindingen herbekeken moeten worden.
 
Darwins kerngedachte
Darwins evolutietheorie gaat uit van één centraal idee, waaruit al de rest voortkomt. Dat idee is even helder als doordringend: alle soorten van leven op deze aarde zijn door een langzame evolutie uit een gemeenschappelijk voorouderorganisme ontstaan dankzij het mechanisme van de natuurlijke selectie. Dat is één zin die eenvoudiger klinkt dan hij lijkt. Het was een complex idee waarin verschillende ingrediënten samenkwamen. Die deel-ideeën lagen op een of andere vorm al voor het oprapen. Darwin heeft het nooit geheim gehouden dat hij geïnspireerd werd door het gedachtegoed van mensen als Malthus of de socioloog Herbert Spencer, van zijn grootvader Erasmus Darwin of van de geoloog Lyell. Maar zijn idee was ook een radicaal idee dat indruiste tegen verschillende opinies die in 1850 gangbaar waren. Het was toen gemeengoed dat alles op aarde het resultaat was van een doelgerichte schepping van onveranderlijke soorten. De harmonie in de natuur was daar een afspiegeling van.
Daniel Dennett noemt het centrale idee van de evolutietheorie een ‘gevaarlijk idee’. Het laat niets ongemoeid en vreet aan de fundamenten van het oude wereldbeeld. Of zoals Patricia de Martelaere schrijft: “In werkelijkheid begint het hedendaagse denken niet met een filosoof maar met een bioloog: Charles Darwin die in 1859 met zijn Origin of species alle traditionele opvattingen over de mens en zijn plaats in de natuur grondig ter discussie stelde. (Geen schepping, geen vaste essenties op zijn Plato’s, geen goddelijke planning, geen doelgerichtheid, geen goedheid meer in de natuur, geen hogere of lagere diersoorten.)
Nietzsches denken getuigt ten volle van de geest van het darwinisme. Hij kan in bepaalde opzichten als de voorloper van de hedendaagse nieuwe wetenschappen zoals evolutionair ethiek en epistemologie beschouwd worden.”
Darwin stelde een algoritme voor, een eenvoudige procedure die onafhankelijk van tijd en plaats altijd resultaat oplevert: de snelheid van de antiloop, het oog van de adelaar, de vorm van de orchideebloem, de paperclip, een ringtone, een hit van K3. Het enige wat je daarvoor nodig hebt, is in de natuur overvloedig aanwezig. Tijd, veel tijd, miljoenen jaren, waarin de onschatbaar gigantische variatie van vormen in de natuur die bij toeval ontstaat, genadeloos gefilterd wordt door de allerminst toevallige selectiedruk van de omgeving. Alleen wat in leven blijft, en lang genoeg om zich voort te planten, zal voortbestaan.
 
De groei van een idee
Wie de werkschriftjes en dagboeken die Darwin tijdens zijn wereldomspannende reis bijhield, bekijkt, kan heel goed de methodische geest van Darwin volgen die hem uiteindelijk tot zijn kernidee bracht. Hij had een systematische manier van werken en schreef of schetste alles neer wat hij zag en bedacht. Daaruit werden in een ander soort werkboekje kernbegrippen geïsoleerd, die op hun beurt elders en later hun plaats kregen in verder uitgewerkte gedachtegangen. Zo zie je concepten voorzichtig opduiken uit een zee van bevindingen en overpeinzingen. Darwin blijft ook twijfelen: is dit wel een goed idee, kan ik hier wat mee, leidt dit niet in de verkeerde richting? Het is zo heel mooi te traceren hoe het ruwe materiaal dat hij aan de andere kant van de wereld verzamelde de voedingsbodem was van de eerste ideeën dat de natuur niet zo gracieus, harmonieus, statisch en welwillend is als men wel dacht. Wat dat is hoe de natuur beschouwd werd, in de boeken en de hoofden van die tijd. Wat Darwin in de wilde natuur zag, deed de jonge onderzoeker vragen stellen. Die vragen sluipen onhoudbaar in zijn nota’s binnen, vragen over het onvraagbare: zijn soorten onveranderlijk? Als Newton had aangetoond dat God een maker van natuurwetten is, zou die variatie in soorten van vinken op de Galapagos eilanden en rhea’s (een soort van struisvogels) in de Zuid-Amerikaanse pampa’s niet het gevolg zijn van ijzeren natuurwetten dan van een God die wat zit te knutselen in Achtertuin Aarde? En als Darwin naar de fossiele resten keek van de buitenmaatse lama’s, luiaards en gordeldieren die hij in Patagonië had opgegraven, waren dat niet de voorlopers van de kleinere versies van diezelfde beesten die er nu nog steeds rondliepen? Begin 1837 stelt hij zich de pertinente vraag: is het niet heel erg sprookjesachtig om je een god voor te stellen die bij elke geologische aardverschuiving of wereldomvattend klimaatsverandering even tussen beide komt om een nieuw gamma dieren en planten neer te zetten? Maar het enige alternatief dat hij kon verzinnen was politiek en religieus subversief.
Het was niet helemaal nieuw. Het idee ‘evolutie’ bestond al langer. Zijn grootvader Erasmus Darwin en de grote Franse bioloog Jean-Baptiste Lamarck hadden het al beweert dat de soorten evolueren, dat ze zich eigenschappen aanmeten onder druk van de omgeving, die ze dan doorgeven aan hun nakomelingen. De giraf probeert aan de hoogste blaadjes te komen, rekt zijn hals die door veel oefenen steeds langer wordt en die lange hals krijgen de kinderen mee. Maar in de winter van 1838 kwam Darwin met zijn eigen idee, dat van de ‘natuurlijke selectie’. En ook met dat idee stond hij niet alleen. Een jonge collega van hem, Alfred Russell Wallace was in 1858 gestrand met een aanval van malaria op een Maleisisch eiland. Ook hij keek naar de natuur en zag de evolutie van de soorten voor zijn ogen voorbijtrekken, rijkelijk geïllustreerd in de planten- en dierenrijkdom van het tropische eilandenrijk. Het is omdat Wallace zijn verhaal opschreef en naar de Royal Society opstuurde, dat ook Darwin gedwongen werd om de theorie waar hij al zolang over twijfelde en aan sleutelde te publiceren. De twee werden tegelijkertijd voor de Royal Society voorgesteld. Het is dus zeker niet de unieke originaliteit van Darwin die er voor gezorgd heeft dat hij als de ontdekker van de evolutie wordt beschouwd.
 
De groei van een theorie
Bovendien heeft het nog lang geduurd voor de ideeën van Darwin (en dus ook Wallace) in de biologie ingang vonden als de oplossing voor de soortenrijkdom op aarde. Het duurde lang voor de theorie een echte theorie geworden was. Men kenden het echte mechanisme achter de natuurlijke selectie nog niet omdat de drager van de erfelijke variatie nog onbekend was. Men ging dus tot een eind in de twintigste eeuw uit van ene soort lamarckiaanse overerving van verworven eigenschappen. De grote verdienste van Darwin ligt er vooral in dat hij biologen, filosofen en andere burgers ervan wist te overtuigen dat evolutie een reëel fenomeen is.
Het verschil tussen Wallace en Darwin was dat de tweede massief veel meer gegevens verzameld had dan de eerste. Darwin had gedurende dertig jaar een gigantische hoeveelheid bewijsmateriaal verzameld uit uiteenlopende gebieden als biogeografie, taxonomie, antropologie, paleontologie, erfelijkheid, de kweek van huisdieren en landbouwgewassen, embryologie en fysiologie. Zijn studie van de zeepokken had bovendien zijn reputatie als gedegen wetenschapper een rotsvaste basis gegeven, terwijl Wallace als naturalist nog groen achter de oren zag.
Wallace had nog andere punten die in zijn nadeel speelden. Hij was de zoon van een arme advocaat. Hij was niet van hoge komaf en verdiende zijn kost door zeldzame specima voor verkoop op te sturen naar rijke verzamelaars aan het thuisfront. Zijn werk droeg het stigma van ‘handel’. In de high society van toen, werd het bedrijven van de wetenschap beschouwd als een verheven bezigheid en niet iets voor de lagere klassen. En als Wallace zich dan nog zou hebben beziggehouden met een minder controversieel onderwerp, dan was hij wellicht nog welwillend getolereerd geworden, maar door het scheppingsverhaal te weerspreken streek hij in tegen de haren van het politieke en religieuze establishment, die hun God nodig hadden om niet alleen de onveranderlijkheid van de soorten te verantwoorden, maar ook de onveranderlijke macht van de monarchie, de aristocratie en de kerk alsook de ongelijkheid onder de mensen of de minderwaardigheid van niet-Westerse ethnieën. Dat soort mannen liet zich niet graag op hun nummer zetten door een die niet van hen was.
Darwin was echter de juiste man op de juiste plaats. Hij was van goede komaf, rijk en bewoog zich in de hoogste kringen. (Hoewel hij dat laatste niet graag deed. Hij meed de grootstedelijke wandelgangen en ontving liever de intellectuelen van zijn tijd bij hem thuis in Down House in Downe.) Zo zie je maar dat de sociale context waarin wetenschappers werken een belangrijke invloed kunnen hebben op hun werk en de impact ervan. (En de vraag is nog maar wat er van de evolutietheorie zou geworden zijn als Darwin -zoals zijn vader zo graag gewild had- parochiepriester was geworden in een of ander afgelegen gemeente in een ver Engels graafschap.) Er is dus meer nodig dan een briljant idee om een succesvolle theorie op te zetten en die te zien uitgroeien tot een algemeen aanvaarde manier om de dingen uit te leggen.


Zie ook