UGent

Wat hebben creationisten te zeggen over hersengrootte?

Auteur: Jim Foley

Hersengroottes [zie “noot”] verschillen aanzienlijk tussen individuele organismen van eenzelfde  soort en deze regel geldt voor iedere soort. De verschillen in hersengrootte zijn echter niet zomaar gerelateerd aan de intelligentie. In plaats daarvan is er wel een zwakke correlatie met de lichaamsgrootte: grote mensen hebben meestal grotere hersenen. Hierdoor zullen vrouwen gemiddeld kleinere hersenen hebben dan mannen en zullen Pygmeeën kleinere hersenen hebben dan Zulu’s. De gemiddelde intelligentie van al deze groepen is echter –voor zover is geweten- dezelfde. Cijfers omtrent de gemiddelde hersengrootte bij de moderne mens lijken te verschillen tussen bronnen, maar een karakteristieke waarde bedraagt 1350 of 1400 cc (kubieke centimeter). De onderstaande cijfers geven een indruk over de normale variatie binnen moderne, menselijke schedelgrootte (schedels van Homo sapiens). Burenhult (1993) zegt dat 90 percent van alle menselijke schedels past binnen een grootte-interval van 1040 tot 1595 cc, met als extreme waarden 900 en 2000 cc. S. J. Gould herbekeek in zijn boek “De Mens Gemeten” (“The Mismeasure of Man”) een negentiende-eeuwse studie, die  werd uitgevoerd door Morton. In deze studie werden de groottes van 600 schedels gemeten. Deze schedels varieerden in grootte binnen een interval van 950 tot 1870 cc. Vijfentwintig percent van het staal bestond echter uit schedels van Peruvianen met een kleine gestalte, zodat het cijfer (950 cc) lager ligt dan indien het bepaald zou zijn geweest voor 600 willekeurig geselecteerde mensen. Morton verdeelde zijn schedels ook in groepen per ras. Het laagste gemiddelde voor een groep bedraagt 1230 cc.
 
Verscheidene bronnen –sommige zijn creationistisch van aard- geven lagere limieten voor de hersengrootte. De vooraanstaande Britse anatoom Sir Arthur Keith gaf in 1948 855 cc aan als het laagst gekende, menselijke hersenvolume. Vergelijk dit met de 650 cc, wat in die periode het grootst gekende hersenvolume voor gorilla’s was. Er bestaan zelfs mensen met hersenen die kleiner zijn dan 650 cc. Deze situatie is echter zeer zeldzaam. De microcefalen, die een intelligentie bezitten die lager is dan de norm, kunnen zelfs een hersengrootte van slechts 600 cc hebben. Dit betreft echter een medische afwijking en dergelijke schedels kunnen niet als normaal worden aanzien.
 
Hrdlicka (1939) bestudeerde de extreme waarden (maximum en minimum) voor hersengrootte door 12000 Amerikaanse schedels van moderne mensen te onderzoeken. De schedels maakten deel uit van de verzamelingen in het Nationaal Museum van de VS (US National Museum). Van de 12000 schedels varieerden de groottes van de 29 kleinste schedels (of minder dan 1 op 400) van 910 tot 1050 cc. Hrdlicka beweert dat de kleinste schedel in deze collectie (910cc) het kleinste volume, dat ooit gemeten is voor een menselijke schedel, bezit. De schedels met een klein volume waren niet primitief of afwijkend -op welke manier dan ook. Hun kleine volume was enkel het resultaat van de beperkte omvang van hun volledige schedel. Dus, hoewel de onderlimiet voor de hersengrootte bij de moderne mens overlapt met die bij Homo erectus, zijn hun schedels zeer verschillend. Bij H. erectus is –in vergelijking met H. sapiens- de hersendoos kleiner ten opzichte van de rest van de schedel. Bij kleine moderne mensen, met normale verhoudingen van de schedel, is hersengrootte klein, enkel en alleen omdat de schedel klein is. Vergelijk de bovenstaande cijfers met vijf meetbare schedels van Java-mensen (H. erectus). Hun grootte bedraagt gemiddeld 930 cc en de kleinste schedel is 815 cc groot. Dit is minder dan het minimum bij de 600 moderne schedels, die werden bestudeerd door Morton en hierboven worden aangehaald. Meer nog, in tegenstelling tot de moderne mensen met kleine hersengrootte, bezitten deze schedels afgeplatte hersendozen en grote wenkbrauwribbels.
 
Deze cijfers tonen ook hoe buitengewoon de Turkana-jongen (H. erectus/H. ergaster) is. Als volwassen persoon zou hij ongeveer 183 cm lang zijn geweest. Dit is zelfs groot in vergelijking met de huidige standaard. Men verwacht dan ook dat mensen met deze lengte een hersengrootte, die groter is dan de gemiddelde hersengrootte, hebben. De geschatte hersengrootte, die de Turkana-jongen als volwassen persoon vermoedelijk zou gehad hebben (910cc), is echter kleiner dan de hersengrootte bij nagenoeg alle moderne mensen, gemeten over verschillende lengtes en geslachten. Slechts minder dan één percent van de moderne mensen bezit een hersengrootte die kleiner is dan 910 cc. Ter vergelijking: 900cc is de typische hersengrootte voor een modern kind van drie of vier jaar, met een gewicht van 15 kg.
 
De creationist Marvin Lubenow (1992) beweert dat de laagste limiet voor de moderne, menselijke schedelcapaciteit 700 cc is. Dit getal ligt veel lager dan de cijfers die worden teruggevonden in wetenschappelijke publicaties. Zijn bron is “Rassen, Types en Etnische groepen” (“Race, Types and Ethnic Groups”) van Stephen Molnar. Molnar zegt “dat er vele personen zijn met 700-800 cm³ als schedelcapaciteit”, maar hij noch zijn bronnen citeren een bron met deze informatie. In feite spreekt één van de bronnen Molnar (en Lubenow) tegen. Tobias (1970) zegt dat, in overeenstemming met Dart, “schijnbaar normale wezens hebben bestaan met hersengroottes van 700 en 800 cc” (misschien is Molnars bewering een verkeerde weergave hiervan) en dat de kleinste schedelcapaciteit, die ooit werd gedocumenteerd, 790 cc is. Dit spreekt Molnars bewering, dat “vele” moderne mensen een schedelcapaciteit beneden 800 cc bezitten, sterk tegen. Integendeel, er blijkt uit een veelheid aan bronnen dat waarden beneden 900 cc extreem zeldzaam zijn en dat waarden beneden 800 cc bijna onbestaand zijn.
 
Zelfs indien mensen worden gevonden met een schedelcapaciteit van 700 cc, zal het nog altijd onwaarschijnlijk zijn als Lubenow beweert dat ER1470 (nummer van een schedel; zeer waarschijnlijk van Homo habilis) met 750-775 cc “binnen de normale menselijke spreiding (qua hersengrootte)” ligt. Men zou even goed kunnen beweren dat een volwassen persoon met een lengte van 122 cm eveneens binnen de normale spreiding (qua lichaamslengte) valt, op basis van het feit dat sommige mensen slechts 107 cm groot zijn. Dergelijke gevallen –als ze zelfs al optreden- zijn duidelijk zeer zeldzaam en de waarschijnlijkheid om een fossiel van een menselijke schedel met een hersengrootte, die zo klein is als 750-775 cc, te vinden, is zo goed als nul. Het is veel waarschijnlijker dat ER1470 een eerder typisch lid van zijn populatie was. Dit is wat we zien: andere schedelfossielen van Homo habilis, die sterk lijken op ER 1470, zijn zelfs een stuk kleiner dan 700 cc, de laagste limiet die voorgesteld werd door Lubenow.
 
Chimpansees hebben een hersengrootte tussen 300 en 500 cc, met een gemiddelde van 400 cc. Gorilla’s hebben een gemiddelde hersengrootte van 500 cc, waarbij grote individuen een hersengrootte van 700 cc kunnen bereiken. Zelfs 752 cc werd in één geval gerapporteerd, maar de correctheid van dit gegeven werd niet nagetrokken. Hominiden (mensachtigen) worden het best vergeleken met chimpansees, die ongeveer even groot zijn als de hominiden, dan met de veel grotere gorilla’s.
 
Lubenow stelt dat “het cruciale element niet de hersengrootte, maar de hersenorganisatie is. Een stel grote gorillahersenen staat niet dichter bij de menselijke toestand dan kleine gorillahersenen.” Lubenows punt is juist. In de veronderstelling dat evolutie waar is, moeten er overgangsvormen tussen apen en moderne mensen, met een hersengrootte tussen 650 en 800 cc, hebben bestaan. De ontdekking van een schedel met zulke hersengrootte bewijst echter nog niet dat zijn bezitter een overgangsvorm was. Om overtuigend als overgangsvorm beschouwd te worden, moet een schedel niet enkel een intermediaire hersengrootte hebben, maar ook een tussenliggende morfologie. Dit is precies wat gevonden werd bij sommige fossielen van H. habilis. Hoewel er geen fossielen van H. habilis voorhanden zijn waarvoor zowel hersen- als lichaamsgrootte kunnen gemeten worden, is het duidelijk dat hun gestalte kleiner was dan moderne mensen en mannelijke gorilla’s, de enige apen met vergelijkbare hersenen. De schedels van H. habilis bezitten geen kammen en beenribbels, die wel aanwezig zijn op schedels van grote apen. Daarbij komt nog dat de binnenkant van de schedels van H. habilis vele moderne kenmerken vertoont (Tobias 1987). De schedels van H. habilis zijn tegelijk groter en meer modern –zowel de binnenkant als de buitenkant- dan de schedel van om het even welke aap van vergelijkbare grootte.
 
Tussen soorten is de gemiddelde hersengrootte een redelijk goede indicator van relatieve intelligentie, indien een formule, die corrigeert voor lichaamsgrootte, wordt gebruikt. De resultaten, die men bekomt voor gemiddelde hersengrootte, zijn benaderingen, omdat ze afhankelijk zijn van de gebruikte formule alsook van de hersengrootte. Beide parameters (hersen- en lichaamsgrootte) zijn zeer moeilijk te schatten voor de meeste fossielen van hominiden. Er blijkt echter dat Australopithecus even slim -of misschien een beetje slimmer- was dan de chimpansees. H. habilis en H. erectus staan, qua intelligentie, tussen de chimpansees en de moderne mens. Walker & Leakey (1993) en Tobias (1987) geven goede overzichten van de pogingen die men in het verleden heeft ondernomen om de relatieve intelligentie bij hominiden te schatten. De onderstaande grafiek van McHenry (1994), waarbij de hersengroottes ten opzichte van de tijd zijn uitgezet, toont -als algemene trend- een toename van hersengrootte met de tijd, bij de hominiden.
Brain size vs. Time
 
Referenties
Burenhult G. (1993): The first humans: human origins and history to 10,000 BC. New York: HarperCollins.
Hrdlicka A. (1939): Normal micro- and macrocephaly in America. American Journal of Physical Anthropology, 25:1-91.
Lubenow M.L. (1992): Bones of contention: a creationist assessment of human fossils. Grand Rapids,MI: Baker Books.
McHenry H.M. (1994): Tempo and mode in human evolution. Proceedings of the National Academy of Sciences, USA, 91:6780-6.
Tobias P.V. (1970): Brain size, grey matter and race - fact or fiction? American Journal of Physical Anthropology, 32:3-31.
Tobias P.V. (1987): The brain of Homo habilis: a new level of organization in cerebral evolution. Journal of Human Evolution, 16:741-61.
Walker A.C. and Leakey R.E. (1993): The Nariokotome Homo erectus skeleton. Cambridge,MA: Harvard University Press.
 
Noot: De term “hersengrootte” zal hier gehanteerd worden in plaats van “schedelcapaciteit”, omdat de hersenen de ruimte binnen de schedel niet helemaal zullen opvullen. De hersengrootte is bijgevolg kleiner dan de schedelcapaciteit. Enkel de schedelcapaciteit kan afgeleid worden uit schedels.


Vertaler: Dieter De Koker