UGent

Wat verstaat men onder het fine-tuning argument , en wat kan men er tegen in brengen?

Auteur: Theodore Drange - Professor Emeritus te West Virginia University

HOE MEN HET ARGUMENT FORMULEERT

Laat ons deze welbepaalde versie van het ontwerpargument onder de loep nemen, die beroep doet op het zogezegde precies op elkaar afstellen of fijn afstellen van fysische constanten in het universum. We spreken af dat we dit het “Fine-tuning Argument” noemen. Het is namelijk een argument dat veel aanhangers heeft, zowel op het internet als in geschriften. In verband met enkele internetartikelen, kan men bijvoorbeeld http://www.reasons.org/resources/papers/ raadplegen. Voor een voorvechter ervan in de gedrukte pers kunnen we verwijzen naar George Schlesinger, die het volgende stelt:
In de laatste decennia is een duizelingwekkend groot aantal, buitengewoon zeldzame toevalligheden ontdekt, die onontbeerlijk zijn voor het bestaan van een minimaal stabiel universum en waarzonder nergens één enkele vorm van leven zou kunnen voorkomen. […. G]egeven het feit van een oneindig aantal universums zal er een of andere combinatie of andere fysische rangorde moeten verwezenlijkt worden. Hoewel, de combinatie die nu domineert is niet slechts één van de onbepaald vele; het is tevens een voorbeeld van een oneindig zeldzaam type universum; het soort dat in staat is leven mogelijk te maken. De veronderstelling dat het gemaakt werd door een Wezen dat interesse heeft in voelende organische stelsels, verklaart zeer toepasselijk dit verbazingwekkende feit dat anders onbegrijpelijk zou zijn. [NEW PERSPECTIVES ON OLD-TIME RELIGION, Oxford U.P., 1988, pp. 130,133]

Een meer precieze formulering van het argument is de volgende, waarbij de premisses worden aangeduid met “P”, en de besluiten met “C”.

(P1) De samenloop van fysische constanten die we observeren in ons universum is de enige die in staat is het leven mogelijk te maken zoals we het nu kennen.
(P2) Andere combinaties van fysische constanten zijn denkbaar.
(C3) Daarom is een verklaring vereist voor het bestaan van onze hedendaagse combinatie van fysische constanten, eerder dan voor een andere.
(P4) De beste uitleg van de gegeven feiten is dat ons universum, met de specifieke combinatie fysische constanten waaruit het bestaat, gecreëerd werd uit het niets door één enkel wezen dat almachtig, alwetend, vredelievend, eeuwig en geïnteresseerd is in gevoelige organische stelsels, en dat hij die constanten op elkaar afstelde op een manier die zou leiden tot de evolutie van zulke stelsels.
(P5) Maar zo'n wezen, zoals beschreven in (P4) is wat men als “God” bestempelt.
(C6) Uit [(P4) & (P5)] volgt dat er sterk bewijs is voor het bestaan van God.
Er kunnen verschillende bezwaren geopperd worden tegen dit argument. Om niet te zeer uit te weiden, zal ik slechts twee bezwaren betreffende premisse (P4) in beschouwing nemen. Men kan ze onderverdelen in “Het Ontoereikendheidsbezwaar” enerzijds en het “Andere-verklaringsbezwaar” anderzijds.

HET ONTOEREIKENDHEIDSBEZWAAR

De beschreven verklaring in (P4) kan men “de God-hypothese” noemen, of kortweg “G”. Ik vind niet dat G een goede uitleg is, noch geschikt om de feiten te verklaren. Ten eerste voorziet het niet in informatie over hoe God wordt verondersteld iets te hebben gecreëerd, noch hoe hij de fysische constanten van het universum op elkaar heeft “afgesteld”. Het slaagt er met andere woorden niet in te behandelen wat Paul Edwards (in zijn boek REINCARNATION: A CRITICAL EXAMINATION, Prometheus Books, 1996, pp. 301-303) het “modus operandi probleem” noemt. Omwille van die reden is het een verklaring die op flagrante wijze onvolledig is. Niet alleen wordt creatio ex nihilo (De Latijnse omschrijving voor “Schepping uit het niets”) niet beschreven in G, het is op de koop toe een idee dat helemaal in strijd is met de wetten op behoud van de moderne fysica. Het is daarnaast een gedachte die moeilijk te bevatten valt. En we hebben bovendien geen voedingsbodem waarop we ons kunnen baseren voor een goed begrip. Geen enkele daad van schepping waarmee we vertrouwd zijn (zoals die van kunstenaars) gaat gepaard met een schepping uit het niets. G is dus niet alleen onvolledig, het is tevens behoorlijk onbegrijpelijk.

Ten tweede hebben we een invulling nodig betreffende de eigenschappen die worden toegekend aan het wezen – vernoemd in G –, naar hetwelk ik op basis van vooropstelling (P5) zal verwijzen als ‘God’. Wat wordt er precies bedoeld als men zegt dat God almachtig, alwetend, vredelievend en eeuwig is? Elk van deze eigenschappen behoeft enige verheldering. Welke logische of conceptuele bepalingen – als ze er al zijn – moeten er geplaatst worden bij een almachtig en alwetend wezen? Kan een dergelijk wezen zichzelf zwak of onwetend maken? Kan hij zichzelf ervan weerhouden een handeling te stellen waarvan hij weet dat hij ze zal stellen? Er dienen zich dus enkele raadselachtige moeilijkheden aan. Vermoedelijk moet God reeds bestaan hebben vóór het universum er was, opdat hij het fysische universum heeft kunnen creëren. Maar hoe kon hij dan de gegeven eigenschappen bezitten als er geen fysisch universum bestond? Welke handelingen stelde hij dan bijvoorbeeld (als almachtig wezen) in die vorige periode en welke zaken had hij (als allesliefhebbende god) lief? Aanhangers van G doen het simpelweg van de hand als “een groot mysterie”, maar dat is eerder onbevredigend als verklaring. We begonnen immers met een mysterie (waarom de fysische constanten zijn zoals ze zich voordoen). En niets werd op gepaste wijze verklaard of verhelderd als we eindigen met een nog groter mysterie (de aard van God en zijn daden). G is te obscuur om het te beschouwen als een geschikte verklaring voor alles.

Ten derde had, volgens G, God een interesse in voelende organische systemen. Waarom deed hij er dan zo lang over om die te veroorzaken? En waarom begrensde hij zijn inspanningen tot de planeet aarde? De wetenschap vertelt ons dat er meer dan 10 miljard jaar zijn verstreken gerekend vanaf de Big Bang tot aan het ontstaan van voelende organische stelsels op onze wereld. Waarom liet God toe dat het proces zo lang duurde? Waarom creëerde hij, als almachtig en alwetend wezen, niet gewoon van bij het begin het soort stelsels waarin hij zelf geïnteresseerd was? En waarom schiep hij ze niet overal in het hele universum in plaats van gewoon in één onbeduidend deel. Het lijkt onredelijk te denken dat een wezen met de eigenschappen die aan God worden toegeschreven in G, de dingen zou gedaan hebben die G zegt dat hij deed. G is een armtierige uitleg, want het is onredelijk en contra-intuïtief. Men kan niet met zekerheid stellen dat het toereikend is als verklaring voor om het even wat.

Ten slotte, gesteld dat God bereid was een hele poos te wachten en zijn belangen te beperken tot slechts een kleine ruimte, is er de vraag waarom hij dan geen beter werk verrichtte wat betreft evolutie. Hij wordt immers verondersteld allesliefhebbend te zijn. Waarom construeerde hij de evolutie dan niet op een manier dat het minder leed veroorzaakt aan de organismen die erin betrokken zijn? Eén iets dat hij had kunnen doen, was het aandeel voordelige mutaties vergroten binnen de totale verzameling mutaties. In de plaats van slechts één op de duizend voordelige mutaties voor organismen en soorten, waarom geen, laat ons zeggen, één op vijf? Dat zou in elk geval het evolutionair proces versneld hebben en onderweg veel onnodig leed geëlimineerd hebben. Het is op zijn minst een soort van bijkomstige “fine-tuning” of afstelling die men toch zou mogen verwachten van het type wezen dat is omschreven in G.

Verder nog, God zou de dingen op zo’n manier kunnen geregeld hebben dat de beginvoorwaarden op planeet aarde stabieler en gunstiger werden voor het welzijn van voelende organische stelsels. Althans toch voor diegene waarvan men zegt dat hij in hen geïnteresseerd is. Er zouden bijvoorbeeld zowel minder stormen, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, droogtes, enz. kunnen zijn, als een meer gunstige balans tussen de kracht van ziektekiemen en het immuniteitssysteem van de meer ontwikkelde organische systemen op de planeet. G is onvolledig en afwijkend als verklaring voor het falen van God, voor het feit dat dit wezen waarvan wordt beweerd dat hij de meer geavanceerde systemen liefheeft, de dingen niet heeft geregeld op een manier die past bij onze perceptie van zijn aard.

Omwille van al de opgesomde redenen kan G beschouwd worden als een zeer povere uitleg voor wat moet verklaard worden. Het is namelijk onvolledig, onbegrijpelijk, obscuur, onredelijk, afwijkend, en contra-intuïtief. Het evoceert ook nog grotere mysteries dan het feit dat moet toegelicht worden, dus kan men het moeilijk accepteren als een geschikte verklaring. Het slaagt er niet in ook maar iets op te helderen of ons begrip van de zaken te vergroten. Men kan dit dus als het Ontoereikendheidsbezwaar bestempelen. Om tot “de beste” onder haar concurrenten te behoren dient een verklaring ten minste minimaal toepasselijk te zijn, maar G slaagt niet in dat opzet. Bijgevolg is (P4) van het Fine-tuning Argument een valse premisse.

HET ANDERE-VERKLARINGSBEZWAAR

Een andere manier om vooropstelling (P4) aan te vallen, is het aanreiken van andere verklaringen dan G voor het gegeven fenomeen (het feit dat ons universum net déze fysische contacten heeft). Ten eerste, als inleidende bemerking, lijkt het mij mogelijk dat er een fysische theorie moet zijn die kan uitleggen waarom ons universum die precieze samenstelling moest hebben die het nu heeft. Het is mogelijk dat wetenschappers in de toekomst zullen komen aanzetten met een "theorie van alles" die ons zal aantonen waarom andere natuurwetten en andere samenstellingen van constanten – alhoewel denkbaar – fysisch gezien onmogelijk zijn. Niemand heeft ooit bewezen dat een dergelijke theorie zich nooit zal ontwikkelen. Uiteraard zou Schlesinger kunnen stellen dat vooropstelling (P4) in het Fine-tuning Argument enkel beroep doet op eigenlijke, en niet op hoogstens mogelijke verklaringen. Dat terwijl de suggestie van een "theorie van alles" enkel impliceert dat er de één of andere verklaring kan zijn, zonder er echt één te verstrekken. Maar laten we nu onszelf opleggen onze aandacht te beperken tot eigenlijke verklaringen en beweren dat de God-hypothese, of G, gewoon de beste verklaring is van al degene die heden ten dage naar voren worden geschoven. Toch is het niet zonder belang vast te stellen dat aanhangers van het Fine-tuning Argument nog nooit hebben aangetoond dat andere parallelle universums mogelijk zijn.

Het Andere-verklaringsbezwaar zegt dat er voor het gegeven feit andere verklaringen zijn die men momenteel naar voren kan schuiven, en die op zijn minst even goed zijn als G. Eén ervan is de stelling dat de combinatie van fysische constanten die we in ons universum waarnemen puur toeval is. Daarmee bedoelt men dat het zich gewoon op die manier voordoet en dat daar geen verklaring voor is, behalve dan dat het simpelweg een bruut feit is. Dit kunnen we de “Brute-feithypothese” noemen, of kortweg B. Een voordeel van B ten opzichte van G is dat het niet de tekortkomingen heeft die hierboven zijn vermeld in het Ontoereikendheidsbezwaar. Een bijkomend voordeel is dat B, in tegenstelling tot G, niet meer dan nodig eenheden vermenigvuldigt. Het lijkt me dat B niet alleen een verklaring is die op zijn minst even degelijk is als G – eigenlijk de enige voorwaarde die nodig was om aan te tonen dat de gegeven premisse kon weerlegd worden –, maar zelfs dat het klaarblijkelijk een betere verklaring is!

Schlesinger zou kunnen antwoorden dat B onvolwaardig is, omdat het er niet in slaagt rekenschap te geven van het feit dat ons universum “één uit de duizend” is. Hij vindt dus B niet bevredigend, want voor hem is ons universum speciaal. Maar is dat wel een feit? Gelijk wat voor type combinatie van fysische constanten zich voordoet, is er één uit de duizend. Hij zou waarschijnlijk volhouden dat ons soort universum – hetgene de ontwikkeling toelaat van leven zoals wij het kennen – een speciaal type is en dat geen enkel ander type speciaal kan zijn. Maar ik zie geen enkele reden om dat te geloven. Gesteld dat andere combinaties van constanten fysisch mogelijk zijn, dan nog zie ik geen reden om te geloven dat die allemaal zouden resulteren in een universum met minder variatie en complexiteit dan het onze. Wie weet, misschien heeft één of meerdere van die parallelle universums wel veel méér variëteit en een hogere graad van complexiteit dan het onze. Misschien bevindt zich daar geen leven zoals wij dat nu kennen, maar zijn daar eventueel zaken gaande die op zijn minst interessant kunnen zijn voor ons. Weliswaar indien we er op de één of andere manier een kijkje zouden kunnen gaan nemen zonder te worden vernietigd, en zo de situatie te begrijpen. Het probleem is dat niemand er enig idee van heeft welke zaken zich na verloop van tijd kunnen manifesteren in universums die andere fysische constanten hebben dan de onze. Op dit punt in haar ontwikkeling beschikt onze wetenschap niet over de middelen om dit soort informatie te extrapoleren van wat we reeds weten.

Er is daarnaast een punt dat men zeker in acht moet nemen. Namelijk dat, zelfs als we in staat zouden zijn aan te tonen dat leven zoals wij het kennen, onmogelijk zou kunnen bestaan in een ander universum, er toch geen bewijs is dat andere vormen van leven met verstand of intelligentie hoe dan ook uitgesloten zijn. Meer nog, als theïsten geloven dat God al eerder bestond dan ons universum, moeten zij rekening houden met het eventuele bestaan van een levensvorm met verstand en intelligentie, apart van de fysische constanten van ons feitelijke universum. Daarom zouden ze de mogelijkheid moeten erkennen dat doorheen de tijd een andere combinatie van fysische constanten een universum zou kunnen produceren dat verstand en intelligentie bevat, ook al is het vormelijk vrij verschillend van gelijk welk leven op onze planeet. De bewering van Schlesinger dat enkel de combinatie van fysische constanten in ons universum van een speciale aard is, is helemaal niet onderbouwd en gestaafd. Er is geen enkele reden om die te aanvaarden.

Neem nu even de volgende analogie in overweging met betrekking tot het punt over speciale soorten universums. Veronderstel dat er tien dobbelstenen gegooid worden en dat wij de som van al die ogen optellen. Dat moet een getal opleveren van 10 tot 60. Ik wil aantonen dat, bij gelijk welk getal men uitkomt, er niet alleen slechts een geringe kans is dat men net dat getal treft, maar dat het daarnaast ook tenminste één unieke en interessante eigenschap zal hebben. Met andere woorden, een eigenschap die één van de andere vijftig getallen niet bezit. Zo hebben we bijvoorbeeld het nummer 25: dat nummer zou het enige kwadraatje zijn dat op zichzelf de som is van twee andere kwadraten (9 & 16) en is ook het enige oneven getal dat het kwadraat is van zijn laatste cijfer. Het getal 27 is dan weer de enige derde macht (Men bedoelt: van alle getallen tussen 10 en 60. 2³ is 8 en 4³ is 64 en die liggen beiden niet tussen de 10 en de 60). En alleen het getal 28 is de som van al zijn delers, kleiner dan het getal zelf (1, 2, 4, 7, 14). Dertig is het grootste getal X waarbij alle getallen kleiner dan X met geen deler gemeenschappelijk met X (anders dan 1) zelf priemgetallen zijn. Het getal 32 is de kleinste macht van 2 zodat het volgende getal geen priemgetal is (aangezien het volgende getal na 16 een priemgetal is). Het getal 36 is het enige dat het product is van twee kwadraten (4 & 9) en is het enige even getal dat het kwadraat is van zijn laatste cijfer. Het getal 11 is het kleinste palindromisch getal en 55 is het grootste. Het getal 59 is het grootste priemgetal. En 60 is het getal dat ontleed kan worden op meerdere manier dan gelijk welk ander getal. Met dit alles toon ik aan dat elk getal van 10 tot en met 60 ten minste één unieke en interessante eigenschap heeft, en des te meer als de niet-wiskundige eigenschappen inbegrepen zijn (zoals 26 = het aantal letters in het Engelse alfabet; 29 = het aantal dagen in februari tijdens een schrikkeljaar; 31 = de meeste punten die gescoord kunnen worden in een cribbagespel (Engels kaartspel), enzovoort). In verband daarmee, van elke mogelijke som van de tien dobbelstenen, kunnen we zeggen: “Amai, zo verbazingwekkend: het is niet alleen behoorlijk onwaarschijnlijk dat we net dit getal uitkomen, maar is ook het enige nummer dat ...” en ga zo door met het specifiëren van de interessante eigenschap of eigenschappen die dat nummer uniek maken.

We zouden onszelf het volgende kunnen afvragen: “Wat is nu de verklaring voor het feit dat we precies dát getal uitkwamen, veeleer dan een ander?” Het correcte antwoord is dat het gewoon toeval is (of een absoluut feit). Trouwens, bij gelijk welk getal er verschenen was, zou het heel onwaarschijnlijk zijn om dat met opzet te bekomen. Meer nog, er zou in elk geval wel één of andere boeiende eigenschap of meerdere eigenschappen zijn die geen enkel ander getal zou bezitten. Hetzelfde kan eventueel over ons universum gezegd worden. Het is gewoonweg een absoluut feit dat het nu éénmaal de wetten en fysische constanten heeft die het bezit. Daarnaast; ook al was er geen enkel ander universum denkbaar met andere wetten en constanten, waarbinnen leven zoals we het kennen zich kon ontwikkelen, toch zou gelijk welk gerealiseerd universum in één of ander opzicht een ander uniek kenmerk (of meerdere) bezitten. Een eigenschap die op zijn minst even interessant is als de levensvatbaarheid zoals wij die kennen. Vanuit dit perspectief bekeken is er NIETS SPECIAALS aan ons universum, en dat maakt hypothese B een perfect toepasselijke of geschikte verklaring voor de wetten en constanten die het concreet heeft.

Sommige schrijvers hebben B’s aantrekkelijkheid ten opzichte van toeval verkeerd begrepen. Dit herkent men gemakkelijk in de slechte analogieën die deze soms aanwenden. Neem bijvoorbeeld Hugh Ross’s gebruik van de scherpschutteranalogie aan het einde van zijn essay "Astronomical Evidences for the God of the Bible" (dat op de reeds vermelde site verschenen is). In dit voorbeeld wordt een gevangene geëxecuteerd door een vuurpeloton van 100 scherpschutters. Hoewel ze allemaal schieten, wordt de veroordeelde niet geraakt. Aangaande deze merkwaardige gebeurtenis kan men een tweetal hypothesen naar voren schuiven. De ene, analoog met B, is dat alle 100 scherpschutters door puur toeval gemist hebben. De andere hypothese, meer zoals G, is dat er een complot was om te executie te verhinderen. Uiteraard is de complottheorie redelijker en aannemelijker dan het toevallig-gemistverhaal. En dat zou volgens sommigen G waarschijnlijker maken dan B. Persoonlijk vind ik dit een zeer slechte analogie met betrekking tot het geval van de fysische constanten in het universum. Er is hier niets dat overeenkomsten vertoont met een georganiseerde executie door een vuurpeloton. We weten perfect hoe vuurpelotons te werk gaan, gebaseerd op hoe ze dat hebben gedaan in het verleden. We weten dat als ze van plan zijn hun job goed uit te oefenen, dat ze dan gewoonweg NIET allemaal kunnen missen. Maar er is geen overeenkomstige informatie over het proces waarbij universums hun fysische constanten zouden gebruiken. We zouden een minimum aan kennis moeten verwerven over het verband tussen het proces van de fysische-constantenformatie en de aan- of afwezigheid van levensvormen in het universum. Maar we hebben eenvoudigweg niet die informatie, en dat is meteen het einde van de analogie. Mensen die zulke zwakke analogieën naar voren schuiven demonstreren enkel hun verwarring omtrent de kwestie.

Er is nog een andere manier om B te verdedigen tegen de aanklacht dat het zou nalaten te verklaren waarom ons universum deze specifieke kenmerken heeft. Het is mogelijk dat er ruimte-tijdregio’s zijn die volledig buiten ons observationeel veld functioneren en dat zich in vele van die regio’s andere wetten en fysische constanten voordoen dan in de onze. Bijgevolg zou het misplaatst zijn aan te nemen dat de enige wetten en fysische constanten die bestaan, slechts degenen zijn die we al konden observeren. Indien er dergelijke tijd-ruimtelijke regio’s bestaan, dan zou er niets merkwaardigs zijn aan het feit dat we net deze huidige specifieke fysische constanten observeren. Het kan gewoonweg op de rekening worden geschreven van het toeval.

Overweeg ook eens de volgende analogie. Stel dat er reeksen dobbelstenen in een groot aantal diverse delen van het universum worden gegooid. Iedere reeks bevat 100 dobbelstenen. En in het geval men plots 100 keer een zes zou uitkomen met één enkele worp, dan zouden de dobbelstenen een bewustzijn krijgen; alle andere keren bleven ze onbewust. Gezien er een voldoende aantal worpen zouden zijn, wordt het plausibel dat er plots ergens 100 zessen tevoorschijn komen. Waar zich dat dan ook zou voordoen, de dobbelstenen zouden bewust worden en de vraag "waarom is dat nu net hier gebeurd?" zou gesteld worden. Het antwoord is dat het simpelweg een toeval is dat er in deze regio honderdmaal zes ogen bovenliggen, maar ook dat het ons helemaal niet hoeft te verbijsteren dat deze situatie zich enigszins op de één of andere plaats daadwerkelijk voordoet, gezien het aantal worpen. En het zou net zo kunnen zijn bij de fysische constanten. In andere delen van het universum gelden andere fysische constanten, maar in ons afzonderlijk deel verkrijgen we de onze. Als onze constanten ergens anders zouden voorkomen, dan zouden de resulterende wezens op die plaats zich afvragen: "Waarom hier?". En het correcte antwoord zou daar hetzelfde zijn als hier en dat is dat het simpelweg zuiver toeval is, wat een andere manier is om het concept van de Brute-feithypothese uit te drukken.

Ik besluit hieruit dat de kritiek met betrekking tot B, namelijk dat het er niet in slaagt het feit te verklaren dat alleen ons specifieke universum een speciaal soort universum is, ongeldig is. Ten eerste, aangezien er geen reden is het opgevoerde feit (dat ons universum speciaal is) te geloven, is het onterecht ernaar te verwijzen als zijnde een ‘feit’. Daaruit volgend is er geen feit waarin B niet slaagt te verklaren. En ten tweede verklaart B wel degelijk waarom de specifieke fysische constanten zoals we die observeren zijn zoals ze zijn: het is simpelweg puur toeval, en men hoeft wat dat betreft geen verwarring te zaaien. Ik ben mij helemaal bewust van enige voordelen van G ten opzichte van B, maar ik ken evengoed enkele overtuigende sterktes van B tegenover G (en die zijn hiervóór reeds vernoemd). Ik maak daaruit op dat B een betere verklaring is voor het gegeven fenomeen, boven G, wat betekent dat premisse (P4) van het Fine-tuning Argument een valse premisse is.

Van al de mogelijke verklaringen voor het feit dat we bepaalde fysische constanten in ons universum observeren, beschouw ik B (de Brute-feithypothese) als de beste van een hele hoop. Maar er zijn nog steeds andere verklaringen, verschillend van zowel B als G, die op zijn minst evenwaardig zijn aan G. Eén dergelijke verklaring is dat er een groepje wezens bestaat – laat ons deze de ‘finetuners’ of ‘afstellers’ noemen – dat wat rondloopt en occasionele aanpassingen maakt aan de fysische constanten van het universum. De finetuners zijn wezentjes die erg machtig zijn maar niet almachtig, hoogbegaafd maar niet alwetend, en algemeen gezien goed van aard, maar niet alleslievend. Ze zijn eeuwig zoals God, maar ze hebben ons huidige universum niet uit het niets gecreëerd. Ik zal de vraag aangaande de oorsprong van ons universum naast me laten liggen, aangezien de kwestie hier van een andere aard is, namelijk de vraag waarom ons universum deze specifieke combinatie van fysische constanten heeft. De verklaring die we in beschouwing nemen is dat de finetuners hiervoor verantwoordelijk zijn, daar ze de macht en de motivatie hebben om het zo te maken. Laat ons stellen dat ze belang hebben gehad in de evolutie van mieren, vooral in situaties waar deze geconfronteerd werden met lastposten als miereneters en mensen. De finetuners maakten doelbewust aanpassingen aan deze fysische constanten waarvan ze voorzagen dat die tot de uiteindelijke uitroeiing van miereneters en mensen zouden zorgen – die laatsten werken hun eigen uitroeiing in de hand door overbevolking, vervuiling en de uitputting van grondstoffen. Dat zou net het soort wereld voortbrengen waarin de finetuners geïnteresseerd zijn: eentje waarin de mieren de wereld in handen hebben. We zouden dit ‘de Finetunershypothese’ kunnen noemen, of kortweg ‘F’.

Ik denk dat B een betere verklaring is dan F en dat omwille van meerdere redenen. Eén ervan is dat F de onduidelijke (misschien zelfs onbegrijpelijke) notie bevat van eeuwige wezens. Een andere is dat F niet uitlegt hoe de finetuners hun werk doen. De hele idee van een wezen of groep wezens die de fysische constanten van het universum veranderen, is ongehoord obscuur. F heeft tevens het tekortkoming dat het veel grotere mysteries introduceert. B, langs de andere kant, bevat geen dergelijke gebreken.

Ik denk dat, hoewel F niet zo’n goede verklaring is voor de fysische constanten van het universum als B, en in feite compleet terecht een ‘ontoereikende verklaring’ kan genoemd worden, F niettemin nog zo slecht niet is als G. Ten eerste heeft G alle gebreken van F die hierboven aangehaald werden. Tegelijk echter bevat F geen vaagheden aangaande eigenschappen als almachtigheid, alwetendheid en het alles liefhebben, omdat de finetuners die eigenschappen ontbreken. Noch is F besmet met de duisterheid en onbegrijpelijkheid van de schepping uit het niets, omdat zoiets niet voorkomt in die idee. Noch is er een probleem voor F omtrent de lange tijd die de mieren nodig hadden om te veranderen, of omtrent het feit dat het (waarschijnlijk) net hier op deze wereld is dat er zich zo’n evolutie voordeed.
De finetuners zouden het sneller en op meer plaatsen hebben laten gebeuren, maar zij hadden de macht en kennis niet zoiets te verwezenlijken. En tot slot is het enorme lijden dat doorheen de eeuwen op aarde is voorgekomen geen probleem voor F. Ofwel voelden ze zich niet slecht over al dat lijden (niet vredelievend zijnde), ofwel ontbrak het hen aan de macht en kennis nodig om dat te verhinderen. Bijgevolg, hoewel G en F verscheidene tekortkomingen delen, en allebei “ontoereikende verklaringen” zijn, blijven er nog steeds vele andere gebreken die enkel G bezit, maar F niet. Voorts zijn er geen tekorten bij F die G niét heeft. Omwille van al deze redenen is G een slechtere verklaring dan F, die nogmaals de leugenachtigheid van premisse (P4) van het Fine-tuning Argument aantoont. Door beroep te doen op de andere verklaringen over de feiten in kwestie, wordt die premisse weerlegd, waardoor het argument in zijn geheel ook wordt weerlegd.

De meeste andere argumenten voor het bestaan van God zijn, net zoals het Fine-tuning Argument, een verzoek om de Godhypothese als ‘de beste verklaring’ te beschouwen voor het één of het ander. Ik zou al die argumenten willen aanvallen op dezelfde manier zoals hierboven aangegeven: door middel van het Ontoereikendheidsbezwaar en het Andere-verklaringsbezwaar. Ze kunnen allemaal weerlegd worden door één van deze of beide bezwaren. Er zijn nog meer argumenten van een andere aard, zoals het Ontologische Argument, waar men op een verschillende manier mee zou moeten omgaan, maar ook deze kunnen allemaal weerlegd worden. Dat zijn projecten die ik voor een andere gelegenheid zal houden.


Vertaler: Brecht Decoene en Ebe Ryheul