UGent

Wie was Charles Darwin?

Auteur: Ludo Hellemans - bioloog / cultuurwetenschapper Maastricht University

De naam Darwin is onlosmakelijk verbonden met de evolutietheorie, dat wil zeggen met de huidige natuurwetenschappelijke visie op de geschiedenis van het leven op aarde en op het ontstaan van de mens. De Engelse natuuronderzoeker Charles Robert Darwin (1809-1882) leefde in de negentiende eeuw; hij ontvouwde zijn evolutietheorie in On the Origin of Species (Over het ontstaan van soorten) dat in 1859 voor het eerst werd gepubliceerd. Dit boek is een van de belangrijkste teksten van de Westerse cultuurgeschiedenis: het heeft aan de grondslag gestaan van de huidige evolutietheorie en van de huidige wetenschappelijke en publieke beeldvorming over mens en maatschappij.
In Darwins visie is het leven op aarde bijna even oud als de aardkorst en kenmerkt het zich door een schier eindeloze variatie en door onophoudelijke verandering. De geschiedenis van het leven is ook sterk verbonden met – en bepaald door – die van de aardkorst en de atmosfeer. In de loop van de geologische tijd zijn er talloze levensvormen ontstaan en weer vergaan, en dit proces gaat in onze huidige tijd onverminderd door. Darwin stelde dat nieuwe soorten altijd uit oudere soorten ontstaan. Daarmee verwees hij alle religieuze scheppingsverhalen definitief naar het rijk van fictie en mythe. Alle levensvormen op Aarde zijn met elkaar verwant, stelde Darwin, ze zijn immers uit elkaar ontstaan. De biodiversiteit kenmerkt zich bijgevolg niet alleen door een grote veelheid aan levensvormen, maar evenzeer door verwantschap, door een onderliggende eenheid. Deze blijkt uit de structuur en de levensverrichtingen van alle levensvormen: ze zijn allemaal opgebouwd uit cellen en uit dezelfde chemische bouwstenen (eiwitten, vetten, DNA), en ze vertonen grote overeenkomsten wat betreft biochemische en fysiologische processen.
Darwins visie werd in de loop van de twintigste eeuw keer op keer aangevuld en overtuigend bevestigd door de genetica, de celbiologie, de paleontologie en de moleculaire biologie. Tegenwoordig draagt genoomonderzoek ('genomics') het meeste bij aan de ondersteuning en de vernieuwing van de evolutietheorie.
 
Levensloop
 
Jeugd en studies (1809-1831)
Charles Robert Darwin (Fig. 1) werd op 12 februari 1809 geboren te Shrewsbury, een klein stadje in het graafschap Shropshire, in het midden van Engeland. Hij was de vijfde van zes kinderen – en de jongste van de twee zonen – van het welgestelde echtpaar Robert en Susannah Darwin. Zijn vader was arts en tevens een succesrijk financier; hij was een zoon van de achttiende-eeuwse arts en verlichtingsdenker Erasmus Darwin. Zijn moeder was een dochter van Josiah Wedgwood, oprichter van de vermaarde Wedgwood aardewerkfabrieken, en een van de pioniers van de industriële revolutie. Charles' moeder stierf toen hij acht was. Zijn vader hertrouwde niet; Charles werd opgevoed door zijn oudere zusters. De jongens werden aangemoedigd om zich met natuurwetenschap bezig te houden; Charles hield het tuindagboek bij, verzamelde voorwerpen uit de natuur en experimenteerde onder leiding van zijn oudere broer met mineralen en chemische stoffen. Daarnaast ontwikkelde hij – zoals gebruikelijk in de gegoede milieus in Engeland – een grote vaardigheid met paardrijden en een voorliefde voor honden en voor de jacht.
 
Darwin
Fig. 1: De jonge Darwin
 
Op zestienjarige leeftijd begon Charles geneeskunde te studeren aan de universiteit van Edinburgh in Schotland. Het werd geen succes; hij vond de meeste colleges doodsaai en hij kon er niet tegen om operaties bij te moeten wonen (die toen nog zonder verdoving werden uitgevoerd). Hij las erg veel, leerde dieren opzetten en bekwaamde zich in het gebruik van de microscoop. Onder leiding van de jonge zoöloog Robert Grant, een vurig bewonderaar van de Franse evolutionist J.B. de Lamarck, bestudeerde hij ongewervelde mariene organismen van de Schotse kust.
Aan het verblijf te Edinburgh kwam na twee jaar een abrupt einde toen Charles' vader constateerde dat zijn zoon zijn medicijnenstudie verwaarloosde. Hij stuurde Charles naar de universiteit van Cambridge in de hoop dat hij een Anglicaanse geestelijke zou kunnen worden. Darwins vader was ongelovig; zijn beslissing werd ingegeven door de vrees dat zijn zoon zich zonder een beroep tot een nietsnut zou ontwikkelen.
In Cambridge had Charles Darwin opnieuw ruimschoots tijd en gelegenheid om zich met biologie en geologie bezig te houden. Dat deed hij met zoveel enthousiasme dat hij de aandacht trok van vooraanstaande hoogleraren zoals de geoloog Adam Sedgwick en de botanicus John Stevens Henslow. Onder hun leiding bekwaamde Charles zich in geologisch en botanisch veldwerk. Daarnaast ontwikkelde hij een ware passie voor het verzamelen en determineren van kevers, iets dat in die jaren erg in de mode was. Henslow zorgde in 1831, meteen na Darwins afstuderen, voor een aangename verassing. Darwin, die droomde van verre reizen en natuurhistorisch onderzoek, werd op voorspraak van de botanicus uitgenodigd om deel te nemen aan een hydrografische expeditie met het Britse marineschip Beagle die onder commando stond van Robert FitzRoy.
 
De reis met de Beagle (1831-1836)
Deze uitnodiging gaf een beslissende wending aan Darwins verdere loopbaan. De Beagle was een zeilschip, een kleine driemaster dat speciaal was aangepast en uitgerust voor karteringswerkzaamheden in ondiepe kustwateren. Kapitein Robert FitzRoy (1805-1865) was amper vier jaar ouder dan Darwin maar hij stond al bekend als een meesterlijke navigator en een zeer deskundige cartograaf. Zijn opdracht was om in het zuiden van Zuid-Amerika (Patagonië, Vuurland, de Falkland eilanden en een deel van Chili) de nog ongekarteerde kustlijnen in kaart te brengen en om nieuwe vaarroutes langs Kaap Hoorn te vinden. Verder moest FitzRoy de hele aardbol omcirkelen om her en der de coördinaten van bepaalde geografische referentiepunten op de marinekaarten te verifiëren. Een bijkomende opdracht betrof het uittesten van nieuwe chronometers. FitzRoy was ook verantwoordelijk voor de repatriëring van drie autochtone bewoners van Vuurland die tijdens een eerdere expeditie naar Engeland waren meegenomen. Darwin reisde als passagier mee, op kosten van zijn vader, enerzijds om FitzRoy gezelschap te houden (die als kapitein van de Britse marine niet vriendschappelijk mocht omgaan met ondergeschikten), en anderzijds om geologische, botanische en zoölogische specimens te verzamelen langs de kusten en op de eilanden die de Beagle zou aandoen.
De reis duurde bijna vijf jaar, van december 1831 tot oktober 1836. Het grootste gedeelte daarvan bracht Darwin aan land door; hij ondernam te voet en te paard lange verkenningstochten in gezelschap van een matroos die hij als zijn knecht mocht inschakelen. De gesteentemonsters, fossielen, en specimens van planten en dieren die hij tijdens die tochten verzamelde, werden aan boord beschreven en geregistreerd, en (zonodig) geconserveerd. Vervolgens werden deze collecties in vaten en kisten verpakt en wanneer de gelegenheid zich voordeed naar Engeland verscheept, waar professor Henslow ze onder zijn hoede nam.
De Beagle zeilde ongeveer drie jaar lang langs de kusten van het zuidelijke deel van Zuid-Amerika en voer vervolgens in twee jaar de wereld rond, via de Galapagos archipel, Tahiti, Australië, Tasmanië en Zuid-Afrika.
 
De beslissende jaren in Londen (1836-1842)
Toen de Beagle in oktober 1836 weer in Engeland aankwam, was Darwin 27 jaar. Hij vestigde zich na een kort verblijf te Cambridge in Londen. De evolutietheorie had hij op dat moment nog niet in zijn hoofd, maar wel een heleboel twijfels en vragen over de toen heersende opvattingen over de biodiversiteit en de mens.
Tijdens de reis had Darwin het boek Principles of Geology van de Britse geoloog en paleontoloog Charles Lyell (1797-1875) gelezen. Net als Lyell en diens voorloper James Hutton was Darwin overtuigd geraakt van de hoge ouderdom van de Aarde, van de veranderlijkheid van de aardkorst en van het feit dat geologische veranderingen doorgaans zeer traag en geleidelijk verlopen. Zó traag zelfs dat men ze moet léren zien. Een ander belangrijk principe van Lyell was dat natuurlijke oorzaken volstaan om de veranderingen van het landschap te kunnen verklaren: geologische en klimatologische factoren zoals wind, water, hitte en koude, de werking van planten en dieren, aardschokken en tektonische krachten volstaan om de geologische veranderingen te verklaren – het is onnodig om hiervoor een beroep te doen op bovennatuurlijke oorzaken. Darwin stond, terug in Engeland, te popelen om Lyells geologische en naturalistische manier van kijken ook op flora's en fauna's toe te passen, en op zijn tijdens de reis gedane vondsten en waarnemingen. Zijn hoofddoel werd het om het ontstaan van soorten – en van de mens – op natuurwetenschappelijke wijze te verklaren.
Uit Darwins aantekeningen weten we dat hij de evolutietheorie in stappen heeft ontworpen in de periode tussen 1836 en 1839. Eerst raakte hij ervan overtuigd dat soorten kunnen veranderen, en daarna dat deze veranderingen samengaan met veranderingen in het leefmilieu. Een boek van de Britse demograaf Thomas Malthus opende hem de ogen voor de strijd om het bestaan in de natuur. Hierdoor begreep Darwin dat varianten die het best aangepast zijn aan de heersende omstandigheden ook het meeste kans maken op nakomelingen. Dit noemde Darwin 'natuurlijke selectie' (natural selection), naar analogie met de 'artificiële selectie' die fokkers en telers toepassen. Maar terwijl deze laatste is gebaseerd op doelgericht selecteren, vindt natuurlijke selectie 'vanzelf' plaats en is ze ongepland en níet doelgericht.
Toen Darwin in 1839 trouwde met zijn nicht Emma Wedgwood maakte Groot-Brittannië een periode van sociale onrust en politieke onzekerheid door. Darwin achtte de tijd (nog) niet geschikt voor publicatie van zijn theorie. Het is zeer aannemelijk dat Darwin vreesde dat de publicatie van zijn evolutietheorie in deze omstandigheden zou worden opgevat als een politiek gebaar gericht tegen het politiek-religieuze establishment.
Een andere mogelijke verklaring van Darwins besluit om zijn theorie vooralsnog geheim te houden, is dat hij vond dat hij deze met veel meer biologische feiten moest staven, alvorens hij tot publicatie kon overgaan. Darwin schreef in 1842 een kort artikel, en twee jaar later een tamelijk uitvoerig essay over zijn theorie, maar deze bleven ongepubliceerd liggen. Pas in 1859 werd zijn evolutietheorie gepubliceerd.
Van 1838 tot 1843 werkte hij aan de publicatie van de biologische resultaten van de Beagle-expeditie en publiceerde hij over koraalriffen, vulkanische eilanden en de geologie van Zuid-Amerika. In 1839 verscheen zijn boek over de reis van de Beagle. Dit boek werd goed ontvangen en maakte hem bekend bij het publiek als schrijver en als wetenschapper.
 
Down House (1842-1882)
In 1842 hadden Charles en Emma Darwin, die zwanger was, genoeg van het door rellen en luchtvervuiling geteisterde Londen en zochten ze hun heil op het platteland. Ze kochten een groot huis in het graafschap Kent, in het plaatsje Down. Darwin zou er tot het eind van zijn leven blijven wonen. Down House is tegenwoordig voor bezoek opengesteld (Fig. 2).
 
Down_house
Fig. 2: Down house
 
Eenmaal goed geïnstalleerd begon Darwin aan een zoölogisch onderzoeksproject betreffende de Cirripedia (rankpotigen), een grote (en in Darwins tijd enigmatische) groep ongewervelde diersoorten waartoe ook zeepokken en eendenmosselen behoren. De resultaten van dit onderzoek werden van 1851 tot 1854 gepubliceerd in vier boekdelen. Inmiddels was het politieke en sociale klimaat in Engeland kalmer geworden en Darwin begon aanstalten te maken om zijn evolutietheorie te publiceren. Aanvankelijk had hij een omvangrijk boek in gedachten waaraan hij jarenlang in alle rust wilde werken. Maar rust was hem niet gegund: in de zomer van 1858 ontving hij het manuscript van een korte publicatie van de natuuronderzoeker Alfred Russel Wallace (1823-1913) met een evolutietheorie die als twee druppels water leek op de zijne. Darwin schrok enorm. Wat moest hij nu doen? Zijn vrienden Charles Lyell en de botanicus Joseph Hooker adviseerden een gelijktijdige publicatie van Darwin en Wallace in de Journal of the Proceedings of the Linnean Society (1858). Deze gelijktijdige publicatie werd toentertijd echter nauwelijks opgemerkt.
Darwin liet zijn plannen om met een 'groot boek over soorten' voor de dag te komen, varen en begon aan een korter boek met een samenvatting van zijn theorie. Eind november 1859 verscheen de eerste uitgave van On the Origin of Species, die over het algemeen zeer positief werd ontvangen door het publiek.
In 1871 publiceerde Darwin een ander belangrijk boek, The Descent of Man, and Selection in Relation to Sex. Hierin behandelde hij twee onderwerpen die hem sterk interesseerden, namelijk de mens en seksuele selectie. Wat de mens betreft, toonde hij zich in dit boek een vurig pleitbezorger van de opvatting dat alle mensenrassen op Aarde één enkele soort vormen, en van één gezamenlijke vooroudersoort afstammen. Daarmee keerde Darwin zich tegen de heersende opvatting dat zwarten, indianen, Chinezen en andere niet-blanke bevolkingsgroepen verschillende soorten zouden zijn die ondergeschikt zouden zijn aan het blanke ras. Darwin stelde dat er geen belangrijke fysieke of mentale verschillen aanwijsbaar zijn tussen de verschillende mensenrassen. In hetzelfde boek doet hij ook zijn begrip seksuele selectie uit de doeken. Seksuele selectie verschilt in zoverre van natuurlijke selectie dat hier de voortplantingspartners elkaar selecteren, meestal op basis van kenmerken die we tegenwoordig fitnessindicators noemen. Fitnessindicators zijn kenmerken van het individu die erop duiden dat hij/zij 'goede genen heeft' en daarom geschikt is voor de voortplanting.
Darwins laatste evolutieboek The Expression of Emotions in Man and Animals kwam in 1872 uit. Opnieuw een baanbrekend boek, waarin hij de overeenkomsten beschrijft tussen mens en dier inzake uitingen van verdriet, vreugde, woede, angst, enzovoort. Daarbij beperkt hij zich uitdrukkelijk tot de studie van gelaatsuitdrukkingen en lichaamstaal – omdat hij als natuurwetenschapper geen zicht heeft op de emoties zelf, maar alleen op hun expressievorm. Opnieuw verdedigt hij de opvatting dat alle verschillende mensenrassen één enkele soort vertegenwoordigen, want ook wat de expressie van emoties betreft, zijn er geen belangrijke verschillen aantoonbaar tussen de verschillende rassen.
Darwin stierf op 19 april 1882 aan een hartaanval. Hij is 73 jaar geworden. Hij ligt begraven in Westminster Abbey te Londen, in de buurt van Isaac Newton en Charles Lyell. Deze hartaanval had mogelijk te maken met de chronische ziekte waaraan hij leed. Deze ziekte, die gepaard ging met maag- en darmklachten en hartkloppingen, heeft zich voor het eerst gemanifesteerd toen hij in Londen woonde, enkele jaren na de terugkeer van de Beagle-expeditie.
Van 1876 tot kort voor zijn dood schreef Darwin een autobiografie die speciaal was bedoeld voor zijn kinderen en hun nakomelingen. Na zijn dood werd het door een van zijn zonen gepubliceerd, zij het in ingekorte vorm. Op verzoek van zijn weduwe werden de passages die geloof en religie betreffen weggelaten. Later heeft een kleindochter de oorspronkelijke tekst weer in ere hersteld.
Darwins betekenis voor de biologie is niet alleen die van de grondlegger van de evolutietheorie: hij heeft ook naam gemaakt in de experimentele plantkunde. Darwin deed niets liever dan experimenteren. Hij onderzocht orchideeën, vleesetende planten, klimplanten, het bewegingsvermogen van planten, de vorm van bloemen en de rol van insecten bij de bloembestuiving. Voortdurend waren er grote delen van de tuin van Down House in gebruik als laboratorium en hij had verschillende tuiniers in dienst om hem bij het werk te assisteren. Hij liet een verwarmde serre bouwen en het woonhuis was helemaal begroeid met verschillende soorten klimplanten. Zijn botanische onderzoeken vonden hun neerslag in een aantal boeken. Zijn laatste boek verscheen in 1881 en behandelde een onderwerp dat hem al in zijn jeugd had beziggehouden: de rol van wormen bij de vorming van humus.
 
Besluit
 
Darwin wachtte bijna twintig jaar met het publiceren van zijn evolutietheorie omdat hij bang was dat zijn theorie zou worden gebruikt voor politieke doelen. Dat deze vrees terecht was, heeft de geschiedenis aangetoond: kapitalisten en communisten, racisten en seksisten, kolonialisten en chauvinisten hebben in de loop van de negentiende en twintigste eeuw (met wisselend succes) het darwinisme voor hun karretje trachten te spannen. Anno 2009 wordt het darwinisme door mensen die banden hebben met (of geïnspireerd zijn door) ultraconservatieve christelijke of islamitische groeperingen beschouwd als de oorzaak van alles wat hen tegenstaat, namelijk politieke, religieuze, sociale en seksuele emancipatie. In Nederland zijn er christelijke groeperingen die, in navolging van de Amerikaanse fundamentalisten, stellen dat onderwijs in evolutie tijdens de biologieles als een paard van Troje wordt ingezet om de traditionele religieuze cultuur te vernietigen. Ze stellen bijvoorbeeld dat het grote 'geloofsafval' in hun kringen het gevolg is van het onderwijs in evolutie. Wat ze eigenlijk willen verdoezelen, is het feit dat veel adolescenten uit hun kringen gewoon hun buik vol hebben van de segregerende christelijke levensstijl van hun ouders.
In tegenwoordige wetenschappelijke kringen is Darwins belang voor de natuurwetenschappen vrijwel onomstreden. Ook groeit het inzicht dat de evolutiebiologie, evenals de neurowetenschap en de moleculaire genetica ('genomics'), veel kan betekenen voor de cultuur- en maatschappijwetenschappen.
Ludo Hellemans, Maastricht, 2009
 
Verder lezen over Darwin

 
Ingekorte lijst van gepubliceerde werken van Charles Darwin (bron: Wikipedia)

 
Postuum verschenen

 
Internet
 
Volledige lijst van Darwins gepubliceerde werken: http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_works_by_Charles_Darwin
Darwins werken op internet: http://darwin-online.org.uk/
Darwins correspondentie op internet: http://www.darwinproject.ac.uk/
Darwins huis Down House is tegenwoordig opengesteld voor het publiek (en is beslist een bezoek waard) http://www.english-heritage.org.uk/server.php?show=nav.14922
Gelijktijdige publicaties van Wallace en Darwin over de evolutietheorie (1858): http://www.linnean.org/index.php?id=380


Zie ookHoe en door wie werd de evolutietheorie bedacht?