UGent

Reactie door Jan Verplaetse op ‘De onnatuurlijke selectie van Charles Darwin’ (Gie van den Berghe, De Standaard, 19 juni 2009)

Auteur: Jan Verplaetse, Faculteit Rechtsgeleerdheid, Vakgroep Grondslagen en geschiedenis van het recht

Reactie op Gie van den Berghe (De onnatuurlijke selectie van Charles Darwin, De Standaard der Letteren, 19 juni 2009)

Dit is een reactie op het artikel De onnatuurlijke selectie van Charles Darwin door Gie van den Berghe (GvdB)

Pdf-versie van dit artikel is hier beschikbaar

In De Standaard der Letteren (19 juni) verscheen een bespreking van mijn boek (Het morele instinct, 2008) door Gie van den Berghe (GvdB) als onderdeel van een lang essay tegen de zogenaamde “evolutionisten”. Ik moet bekennen dat ik uitkeek naar zijn kritische en scherpe reactie die hij eerder in een e-mail had aangekondigd. Mijn boek dat onlangs de Eurekaprijs won, werd tot nu toe noch in Vlaanderen noch in Nederland grondig besproken. Bovenden is GvdB een collega moraalwetenschapper (eveneens verbonden aan Universiteit Gent) die, zoals hij het zelf stelt, veeleisend is als het om wetenschap gaat. Dus eindelijk, zo denk je dan, iemand met kennis van zaken die mijn visie op het morele verschijnsel aan een kritische blik kan onderwerpen. Helaas moet ik na het lezen van zijn recensie vaststellen dat hij die wetenschappelijke veeleisendheid niet op zichzelf toepast.
Vooreerst ben ik geschrokken van de talloze laatdunkende en lacherige frasen en zinsneden in de bespreking. Formuleringen als “samenraapsel van weetjes en speculaties”, “wereldvreemde visie”, “naar zijn hand zetten”, “wegredeneren”, “toegeven dat zijn onderzoek weinig om het lijf heeft” zijn wellicht polemisch bedoeld, maar lijken me erg ongepast in een kritische bespreking die, naar ik aanneem, ernstig bedoeld is. Die spottende toon past bij mensen die denken de waarheid in pacht te hebben, maar niet bij collega’s moraalwetenschappers die zich buigen over een theorie die misschien niet de hunne is, maar die niettemin gestaafd wordt met argumenten, studies en redeneringen. Dit boek vat mijn kijk op het verschijnsel moraal na 15 jaar onderzoek samen, maar dit zonder enige pretentie dat ik het bij het rechte eind heb of dat ik alle problemen heb opgelost. Hoe zou dit ook mogelijk zijn? Ik sta open voor alle kritiek, maar respect en ernst lijken me essentiële voorwaarden voor een zinvolle discussie.
Maar laat ik niet teerhartig zijn en ingaan op enkele bezwaren die GvdB in zijn recensie uit. De meeste bezwaren zijn echter terug te voeren zijn op een verkeerd begrip van mijn “biologische kijk op moraal”. Een korte samenvatting van die visie aan de hand van twee stellingen is daarom noodzakelijk.
Mijn eerste stelling luidt als volgt: ik denk dat mensen over biologische, automatische en emotionele processen beschikken die ons eigenbelang afremmen en ons gedrag in overeenstemming brengen met de behoeften van anderen of van de samenleving in haar geheel. Ik heb in mijn boek vier van deze moralen onderscheiden die gebouwd zijn rond complexen van emoties en gedrag, in het bijzonder: de hechtingsmoraal, geweldmoraal, reinigingsmoraal en samenwerkingsmoraal. Al deze moralen hebben morele gevolgen, wat minimaal betekent dat we bereid zijn om dingen te doen die indruisen tegen onze onmiddellijke persoonlijke belangen en behoeften. We maken kosten die niet (onmiddellijk) terugbetaald worden. Bovendien kan je elk van die moralen opbouwen rond aparte, maar heel herkenbare emoties of complexen van emoties, zoals inleving (hechtingsmoraal), angst (geweldmoraal), walging (reinigingsmoraal), vertrouwen en bedrog (samenwerkingsmoraal). Een vijfde moraal die ik beginselenmoraal of ethiek noem, is niet gebouwd op emoties en automatische processen, maar op rationele toetsing en redelijke argumentatie. Die moraal corrigeert wanneer de andere moralen tekortschieten, onderling conflicteren of tot “immorele” toestanden leiden. Ik heb geen zekerheid dat er slechts vijf moralen zijn. Ik daag de lezers uit om er nieuwe aan toe te voegen en uit te werken. Helaas aan de volgende bemerking van GvdB heb ik niets: “Inderdaad, als je driften, behoeften, noden, emoties en instincten omdoopt tot ‘moralen’, is het einde niet in zicht.” En dan volgt een aantal voorbeelden zoals seks-, doods-, bezits-, tuiniermoraal (dat spottende lachje, nietwaar). Ik heb hier gewoon niets aan omdat de twee voorwaarden niet vervuld zijn. Eén: welke zijn de morele gevolgen in termen van afremming van het (onmiddellijke) eigenbelang? Twee: rond welke herkenbare emoties of complexen van emoties kan die moraal worden opgebouwd? GvdB geeft er geen en ik zie er geen. Hij voegt hieraan toe dat iets wat morele gevolgen heeft, daarom niet zelf moreel is. Dat zal wel, maar dat is precies één van de kernboodschappen van het boek: we hebben vele moralen die ons ertoe aan zetten om allerlei dingen voor anderen en de samenleving te doen, en dit om velerlei redenen, maar dit betekent nog niet dat dit ethisch is. Hiervoor hebben we bovenal een beginselenmoraal nodig. Elke moraal kan, ethisch gezien, “immoreel” zijn.
Mijn tweede stelling houdt het volgende in. Hoewel ik denk dat moraal een biologische oorsprong heeft, brengt dit niet met zich mee dat we gedetermineerd zijn tot welbepaald moreel gedrag. Ook op moreel vlak zijn we uitermate flexibele wezens. Was dit niet het geval, dan had de beginselenmoraal overigens geen zin. Die moraal kon dan niet meer corrigerend optreden. Op talrijke plaatsen in het boek zeg ik uitdrukkelijk dat morele instincten omgeleid, versterkt, uitgeschakeld of overstemd kunnen worden. Je vindt daarvan vele voorbeelden. Al is het niet altijd eenvoudig om biologische gedragspatronen te onderdrukken of om te leiden, het is vrijwel altijd mogelijk. Moeders die hun kind voor adoptie afstaan en chirurgen die hartoperaties uitvoeren kunnen of moeten hun hechting en inleving gering houden. Maar het zou onjuist zijn te beweren dat die er niet is of was. GvdB gaat totaal voorbij aan die flexibiliteit. Zo trekt hij uit mijn beschrijving van de hechtingsmoraal de conclusie dat “we niet anders kunnen dan onze familieleden helpen, het zit in onze genen” of vindt hij dat de “naar mijn hand gezette” interpretatie van het beroemde Milgramexperiment “genetisch bepaalde agressieremmen” impliceert. Nergens stel ik dit. Die toevoegingen zijn voor rekening van de recensent, die overigens ook op andere plaatsen naar ongeoorloofde conclusies springt. Zo wijdt hij een hele slotparagraaf aan een detail uit het boek waarin ik slechts zeg dat het hechtingshormoon oxytocine meer vrijkomt bij het paren in de missionarishouding. Dit is een bevinding die waar of fout kan zijn en indien waar toont ze gewoon dat oxytocine bij heel veel processen betrokken is. Maar hieruit moet je toch niet de conclusie trekken dat die paarhouding kenmerkend of natuurlijk zou zijn voor mensen. Laat staan dat je dit moet ontkrachten door je kennis te etaleren van seksuele gewoonten over de eeuwen heen.
Die hardnekkige, maar geheel onterechte neiging om ‘biologisch’ en ‘instinctief’ gelijk te stellen met genetisch gedetermineerd heeft eigenaardige gevolgen. Zo ziet GvdB een scherpe tegenstelling tussen enerzijds het hechtingsmechanisme dat zorgt voor zorg, inleving en liefde tussen mensen met een onderlinge band en anderzijds de genetica die het helpen van verwanten mogelijk of, in zijn visie, noodzakelijk maakt. Ik vermoed dat GvdB het hechtingsproces als iets cultureels ziet en de “morele genen” voor het helpen van familieleden als iets biologisch. En aangezien er geen “morele genen” zijn – ze werden althans nog niet gevonden – , merkt hij hier tot zijn grote tevredenheid een overwinning van cultuur op natuur. Ik ben niet de eerste om de recensent attent te maken op het onderscheid tussen ultimate oorzaken (“Waarom is een eigenschap of functie geëvolueerd?”) en proximate oorzaken (“Hoe, en door welke omstandigheden, wordt een eigenschap of functie geactiveerd?”). Ik zal ook niet de laatste zijn om dat evidente onderscheid duidelijk te maken met verwijzing naar het verschil tussen voortplanting (ultimate oorzaak) en seks of lust (proximate oorzaak). Maar bovenal kan ik niet begrijpen hoe je wetenschappelijk kunt verklaren hoe cultuur alleen in staat is om hechtingsprocessen voort te brengen. Je vindt die processen bij zowat alle zoogdieren in meer of mindere mate. Dus ook bij dieren die niet over enige cultuur beschikken maar die niettemin vergelijkbare emoties en moreel gedrag (hechtingsmoraal) vertonen als wijzelf. Om de oorsprong en het functioneren van dit proximate mechanisme goed te begrijpen hebben we een neurobiologische verklaring nodig. Eenmaal we hierover beschikken, kunnen we kijken hoe de neurobiologie van de hechting bij de mens door culturele factoren beïnvloed wordt. Maar ook die factoren hebben hun neurobiologische equivalent. De achterhaalde visie die GvdB van de verhouding natuur en cultuur heeft, maakt van een zo fundamenteel proces als hechting een quasi mystiek fenomeen dat geheel ontoegankelijk is voor ernstig wetenschappelijk onderzoek.
Een al even droevig gevolg van deze vernauwing is dat de recensent geen greep krijgt op een tegenstelling die ik in dit boek precies tracht te overbruggen. Van oudsher kiezen moraalwetenschappers hetzij de pessimistische zijde van Hobbes (“de mens is van nature slecht”), hetzij de optimistische zijde van Rousseau (“de mens is van nature goed”). Ik dacht, net als vele lezers, dat mijn boek net de verdienste had om die opgedrongen keuze te verlaten. De mens beschikt over diep verankerde biologische processen die zowel ontroerende dingen kunnen bewerkstelligen als vreselijke dingen kunnen aanrichten. Niet zelden ontstaan die laatste uit morele emoties. Denk maar aan gruwelijke reinigingsrituelen. Om die redenen is er niets tegenstrijdigs aan agressieremming enerzijds en spontaan geweld anderzijds. We hebben de beide in ons en afhankelijk van de context waarin we ons bevinden, wordt het ene mechanisme dan wel het andere geactiveerd. Terwijl GvdB me verwijt aan “hokjesdenken” te bezondigen, dacht ik de hokjes net te vermijden door het belang van de omgeving te onderstrepen waarin die instinctieve moralen zich ontwikkelen. Ik dacht ook afdoende te hebben beschreven hoe die verschillende morele systemen met elkaar in aanvaring kunnen komen en hoe je jongeren die altijd eerst opgroeien in een hechtingsmoraal waarin warme waarden zoals liefde en genegenheid centraal staan, via culturele rituelen moet omturnen tot genadeloze krijgers in levensbedreigende situaties die hetzij echt hetzij ingebeeld zijn. Geweldmoraal conflicteert hier met hechtingsmoraal – agressie staat tegenover inleving – , maar dit conflict impliceert helemaal geen contradictie. Cultuur zoekt een uitweg voor onze rijke morele biologie. GvdB begrijpt dit samengaan niet – “Kinderen, zo luidt het nu, gebruiken spontaan geweld“ – en opnieuw denk ik dat zijn vernauwing tot genetisch determinisme hiervoor verantwoordelijk is. Als je gelooft in genen voor “goedheid” of “slechtheid” of je veronderstelt die eenvoudige visie bij de auteur, dan moet je natuurlijk wel partij kiezen. Verdedig je echter een meer volwassen kijk op de biologie van het gedrag, dan kan die tegenstelling best schijnbaar zijn. Dan kan je zelfs verdedigen, zoals ik in mijn boek doe, dat moraal het slechtste uit de mens naar boven kan halen. Ik had gehoopt dat GvdB als collega moraalwetenschapper, die toch op de hoogte moet zijn van het recente onderzoek op ons vakgebied, mijn visie zou hebben begrepen en op zijn eigenlijke merites zou hebben onderzocht. Net zoals ik had gehoopt dat hij zich minder door zijn ideologische afkeer tegen de evolutietheorie had laten leiden en mijn boek grondiger had gelezen.
Ten slotte nog dit. GvdB vecht de juistheid en betrouwbaarheid van sommige beweringen aan, wat uiteraard zijn goed recht en zelfs zijn plicht is, maar ook hier is de auteur niet bepaald veeleisend. Het bestaan van een agressieremmend mechanisme dat ik inderdaad verdedig, kan je immers niet ontkrachten met een onvoorstelbaar cliché (“Tja, lees de wereldgeschiedenis erop na”), een anekdote (Darwin die in zijn kindertijd stiekem dieren mishandelde), het bestaan van een wettelijk verbod (wetgeving tegen dierenmishandeling) of het poneren van een alternatieve verklaring zonder enig bewijs (in het kader van het Milgramexperiment). Ik sta voor discussie open maar dan aan de hand van deugdelijke argumenten en zonder dat lacherige toontje van “Ik weet alles best”. Zijn povere lectuur van mijn boek bewijst alvast het tegendeel.

Prof. Dr. Jan Verplaetse
Faculteit Rechtsgeleerdheid, Vakgroep Grondslagen en geschiedenis van het recht
Universiteit Gent

Voor een tweede reactie op hetzelfde artikel, zie hier.