UGent

Zebravinken vinden zangrepertoire opnieuw uit

Auteur: Olga Feher et al.

De manier waarop zangvogels hun zang aanleren vertoont gelijkenissen met de manier waarop mensen leren spreken. Jonge zangvogels leren zangriedeltjes aan door aandachtig te luisteren naar volwassen mannetjes (zangvogelvrouwtjes zingen niet), net zoals mensenkinderen eender welke taal kunnen leren door te luisteren naar de taal van volwassenen en oudere kinderen. Kinderen leren echter zo snel spreken, dat vele psychologen en taalwetenschappers ervan overtuigd zijn dat ervaring niet voldoend is om hun taal te verklaren. Zij menen dat kinderen een aangeboren taalvermogen bezitten.
mannelijke_zebravink
Uit een recente studie door Féher et al. die gepubliceerd werd in Nature blijkt dat ook vogels aangeboren vermogens hebben om zang te ontwikkelen. Eerdere studies toonden aan dat mannetjes die niet de kans hadden om andere mannetjes te horen tijdens hun eerste levensmaanden, nadien geen goede zang ontwikkelden. Dit is vergelijkbaar met mensen, waarvan we weten dat kinderen die nooit taal hoorden (dove kinderen die zonder gebarentaal opgroeien, bijvoorbeeld) ook als volwassene nooit goed leren spreken. Féher et al. isoleerden mannetjes van volwassen zangers op deze manier: zoals verwacht brachten zij zeer korte, onderontwikkelde zang voort. Ze lieten deze geïsoleerde vogels verder paren met vrouwtjes, en keken wat er gebeurde na enkele generaties. Fascinerend was dat de jonge vogels wel degelijk hun vaders gebrekkige zang imiteerden, maar hiervan altijd een klein beetje afweken. De kleine afwijkingen in het gebrekkige zangpatronen werden op hun beurt doorgegeven, en weer veranderd. Op amper enkele generaties tijd ontstond op die manier een zangpatroon dat zo complex was, dat het niet meer moest onderdoen voor het zangrepertoire van wilde vogels. Deze studie vertoont gelijkenissen met eerdere observaties van mensen (zoals dove kinderen in scholen in Nicaragua) waar men spontaan de evolutie van een nieuwe taal kon waarnemen. In dit geval werden kinderen geen gebarentaal aangeleerd, maar ontwikkelden zij spontaan zelf een gebarentaal, die grammaticaal complex was. Hoewel vogelzang geen taal is, zijn de gelijkenissen opvallend, en kan men besluiten dat zowel voor taal als vogelzang aangeboren vermogens een belangrijke rol spelen.