UGent

Hoe en door wie werd de evolutietheorie bedacht?

Auteur: http://evolution.berkeley.edu

Twee auteurs bedachten onafhankelijk van elkaar de evolutietheorie, Alfred Russel Wallace (1823-1913) en Charles Darwin (1809- 1882). Maar aan het ontstaan van de evolutietheorie ging een lang proces vooraf, waarover u hier en in de andere artikelen in deze rubriek meer kunt lezen.
Darwin
Fig. 1: Charles Darwin
 
Het geniale van Darwin (Fig. 1), de manier waarop hij plots de biologie ondersteboven haalde in 1859 met de publicatie van “De oorsprong van de soorten”, kan soms de misleidende indruk geven dat de evolutietheorie kant en klaar is ontdekt zonder enige voorlopers in de wetenschappelijke geschiedenis. Maar zoals we in eerdere hoofdstukken van deze geschiedenis hebben aangetoond, was het ruwe materiaal voor Darwins theorie al tientallen jaren gekend. Geologen en paleontologen hadden een overtuigende visie dat het leven op Aarde er al een hele lange tijd was, dat het had veranderd overheen de tijd, en dat veel soorten zijn uitgestorven. Op hetzelfde ogenblik bestudeerden embryologen en andere natuurkundigen levende dieren in de vroege 19de eeuw en hadden – soms onbewust – de beste bewijzen ontdekt voor Darwins theorie.
 
De druk van bevolkingsaangroei
Wallace
Fig. 2: Alfred R. Wallace
 
Darwin en Wallace (Fig. 2) vonden hun inspiratie in de economie. Een Engelse predikant, Thomas Maltus, publiceerde een boek in 1797, Essay on the Principle of Population, waarin hij zijn landgenoten waarschuwde dat de meeste beleidsmaatregelen gericht op het helpen van de armen gedoemd was omwille van de onophoudelijke druk van bevolkingsaangroei. Een natie kan snel zijn bevolking verdubbelen in een twintigtal jaren, wat leidt tot honger en ellende voor iedereen.
 
Toen Darwin en Wallace Malthus lazen, kwam het bij hen op dat dieren en planten ook dezelfde druk van aangroei moeten ervaren. Het zou niet veel tijd vragen vooraleer de wereld tot aan de knieën bevolkt wordt door kevers en aardwormen. Maar de wereld is niet overspoeld met hen, of door enige andere soort, omdat zij onvoldoende tot de volle potentie uitgroeien. Velen sterven vooraleer ze de volwassenheid bereiken. Zij zijn kwetsbaar aan droogtes, koude winters en andere omgevingsaanvallen. En hun voedselvoorziening, zoals dat van een natie, is niet oneindig. Individuen moeten concurreren, onbewust, voor dat weinige voedsel dat er is.
 
 
Selectie van kenmerken
In deze strijd voor het bestaan, zijn overleving en reproductie niet slechts een kwestie van puur geluk. Darwin en Wallace realiseerden beiden dat als een dier een kenmerk heeft dat hem helpt om te weerstaan of om zich succesvol voort te planten, hij meer nakomelingen kan nalaten dan anderen. Gemiddeld genomen zal dit kenmerk meer voorkomen in de volgende generaties, en dus ook in de generaties nadien.

Fig. 3: De postduif (beneden links) en de Brunner Pouter (beneden rechts) waren afkomstig van de wilde rotsduif (boven).
 
Toen Darwin worstelde met “natuurlijke selectie” bracht hij een groot deel van zijn tijd door bij duivenkwekers om hun methodes te leren. Hij vond dat hun werk analoog was aan het proces van natuurlijke selectie. Een duiven kweker selecteerde individuele vogels om hen voor te planten om zo een hals ruche (Fig. 3) te produceren. De natuur “selecteert” op dezelfde wijze, onbewust, de meer geschikte individuen om te overleven in hun lokale condities. Indien er voldoende tijd over heenging, zo argumenteerden Darwin en Wallace, zou natuurlijke selectie nieuwe types van lichaamsdelen kunnen produceren, van vleugels tot ogen.
 
 
Darwin en Wallace ontwikkelen een gelijkaardige theorie
Darwin begon zijn theorie van natuurlijke selectie te formuleren in de late 1830, maar hij werkte twintig jaar in stilte voort. Hij wilde een overvloed aan bewijs verzamelen vooraleer hij publiekelijk zijn idee presenteerde. Gedurende die jaren correspondeerde hij kort met Wallace (rechts), hij was het wilde leven in Zuid-Amerika en Azië aan het verkennen. Wallace voorzag Darwin met vogels voor zijn studies en besliste om Darwins hulp in te roepen voor de publicatie van zijn eigen ideeën over evolutie. Hij zond Darwin zijn theorie in 1858, die, tot Darwins ongeloof, bijna een kopie was van zijn ideeën.
Charles Lyell en Joseph Dalton Hooker regelde voor zowel Darwin als Wallace's theorieën een ontmoeting in de Linnaean Society in 1858. Darwin had lang gewerkt aan een uitgebreid onderzoek over evolutie en gebruikte dit voor zijn boek “ On the Origins of Species”, die werd gepubliceerd in 1859. Wallace, aan de andere kant, zette zijn reizen voort en concentreerde zijn studie op het belang van bio-geografie.
Het boek was niet alleen een best seller, maar tevens één van de meest invloedrijke wetenschappelijke boeken van alle tijden. Toch, het nam tijd vooraleer alle argumenten ingang vonden. Binnen een twintigtal jaren, aanvaardden de meeste wetenschappers de evolutie en de gemeenschappelijke afkomst van soorten. Maar “natuurlijke selectie” had een langere tijd nodig. In de late 1800, vele wetenschappers die zichzelf “Darwinisten” noemden, prefereerden liever de Lamarckiaanse uitleg over hoe het leven veranderde doorheen de tijd. Het zou tot de ontdekking van genen en mutaties in de twintigste eeuw duren, om niet alleen natuurlijke selectie als een aantrekkelijke verklaring te aanvaarden, maar tevens als onafwendbaar.
 
Over deze tekst
Deze tekst werd met toestemming van de copyright houders vertaald uit http://evolution.berkeley.edu/evolibrary/article/0_0_0/history_14


Vertaler: Cedric Lequy
Zie ookHoe verliep de geschiedenis van het evolutionaire denken?