UGent

Waarom kunnen mensen niet gedurende de laatste 10.000 jaar geëvolueerd zijn?

Auteur: Ed Hagen - Institute for Theoretical Biology, Humboldt-Universität zu Berlin

Deze tekst werd vertaald met toestemming van de auteur. De oorspronkelijke Engelse versie is te vinden op http://www.anth.ucsb.edu/projects/human/epfaq/evpsychfaq_full.html

De soort kan wel geëvolueerd zijn, maar niet veel. Evolutionaire psychologen beschouwen de mogelijkheid van significante cognitieve evolutie in de 10.000 jaar sedert het begin van de landbouw (een periode aangeduid als Holoceen) als onwaarschijnlijk, omwille van de wetenschap, en politieke correctheid. Wetenschappelijk is 10.000 jaar (500 generaties) een korte periode voor natuurlijke selectie, en zeker te kort om nieuwe, ingewikkelde aanpassingen te ontwikkelen, ingewikkelde mechanismes waar talrijke genen voor coderen.

Het is nochtans mogelijk dat de menselijke soort beperkte cognitieve aanpassingen heeft ontwikkeld gedurende het holoceen. Net als sommige bevolkingsgroepen die afhankelijk waren van kuddes van gedomesticeerde dieren een evolutie hebben ondergaan waardoor ze als volwassenen lactose kunnen verteren, kunnen bepaalde populaties sommige eenvoudige cognitieve aanpassingen hebben ontwikkeld waarover hun jagende-verzamelende voorouders niet beschikten. Opdat dit zou gebeuren, moeten er omgevingsfactoren aanwezig geweest zijn die (1) nieuw waren, (2) over de hele periode van het Holoceen constant bleven, (3) relevant waren voor de voortplanting en (4) nieuwe cognitieve vaardigheden vereisten. Veel van de veranderingen die mensen gedurende het Holoceen ondergingen waren echter zo snel dat natuurlijke selectie deze gewoon niet kon bijhouden. Daarenboven weten we dat er gedurende de laatste 10.000 jaar op fysiologisch vlak zeer weinig is veranderd;. Aboriginals in Australië waren gedurende mogelijks 40.000 jaar min of meer geïsoleerd van andere populaties, maar zijn fysiologisch fundamenteel gelijk aan andere menselijke bevolkingsgroepen. Psychologisch is er dus waarschijnlijk ook zeer weinig veranderd.

Politici zijn natuurlijk om begrijpelijke redenen als de dood om geassocieerd te worden met de racistische pogingen uit het verleden om verschillen tussen bevolkingsgroepen die best door het culturele ontwikkeling verklaard worden, toe te wijzen aan de soort zelf. Als het mogelijk zou zijn dat menselijke cognitieve vaardigheden significante evolutie zou ondergaan hebben gedurende het Holoceen, dan zou het in theorie mogelijk zijn om significante gedragsverschillen toe te schrijven aan verschillende genen, en dat zou voor politici een nachtmerrie zijn.

Indien we een even duidelijk inzicht hadden in onze psychologische aanpassingen als we hebben van onze fysiologische aanpassingen, dan zouden we misschien in staat zijn om enkele eenvoudige psychologische aanpassingen te identificeren die steunen op een of twee genen die geëvolueerd zijn gedurende het Holoceen. Deze aanpassingen kunnen specifiek zijn voor een populatie, of kunnen verspreid over de hele mensheid. Maar we begrijpen bijna niets van de evolutie van onze cognitieve vaardigheden. Stel je voor om huidskleur te bestuderen zonder te weten wat de huid is. Dat zou pas een tijdverspilling zijn! Politici benadrukken dus terecht de aandacht voor de complexe, cognitieve aanpassingen die gedeeld worden door de hele mensheid, net zoals de rest van het lichaam; aanpassingen die geëvolueerd zijn gedurende de laatste twee miljoen jaar van het Pleistoceen.


Vertaler: Constantijn Vermaut
Zie ookWaarom wordt de EAO gelijkgesteld met het Pleistoceen?