UGent

Nieuws

Uitsterven bedreigt vaak gehele afstammingslijnen

Kaustuv Roy, Gene Hunt, David Jablonski - Science, 7 augustus 2009, vol. 325, DOI: 10.1126/science.1173073

Hoe sterven soorten uit? Een nieuwe studie in het vakblad Science toont aan dat extinctie niet lukraak individuele soorten treft, maar gehele afstammingslijnen, groepen van soorten met dezelfde gemeenschappelijke voorouder. Kaustuv Roy en collega's baseerden deze conclusie op een studie van organismen uit het verleden (tweekleppige mariene schelpen), maar de implicaties van het onderzoek zijn ook relevant voor pogingen om bedreigde soorten zoals de grote katachtigen te behouden. Tweekleppige mariene schelpdieren, die onder meer mosselen en oesters omvatten, bestaan minstens 200 miljoen jaar.

schelpdieren

De onderzoekers vonden dat soorten binnen deze grote groep zowel tijdens massa-extincties uitstierven (zoals die van 65 miljoen jaar geleden, toen de dinosauriërs uitstierven), als tussendoor. Maar zelfs tijdens die relatief kalme periodes bleek dat nauwere verwante soorten vaker samen uitstierven. De reden hiervoor is dat nauw verwante soorten ook genetisch en fenotypisch veel gelijkenissen vertonen, waardoor ze kwetsbaarder zijn voor dezelfde soorten druk uit de omgeving.

Waarom hebben toekans een grote bek?

Glenn J. Tattersall, Denis V. Andrade, and Augusto S. Abe - Science, 24 juli 2009, DOI: 10.1126/science.1175553

De vraag waarom toekans een grote snavel hebben, heeft wetenschappers eeuwenlang beziggehouden. Charles Darwin meende dat de grote, opvallende snavel het resultaat was van seksuele selectie - toekans hebben een voorkeur voor partners met een grote snavel, waardoor hun nakomelingen steeds grotere snavels hadden. Een recent artikel in Science door Glenn Tattersall en collega's geeft een alternatieve verklaring: de bek helpt de temperatuur van de toekan te reguleren. De auteurs bestudeerden daarvoor de toekansoort met de grootste snavels, de toko toekan (Ramphastos toco, zie ook afbeelding).

toco_toekan

De dieren werden gescand met een infraroodcamera, die de warmteverdeling nauwkeurig kan registreren. Hieruit bleek dat bij een toenemende hitte van de omgeving, de snavel razendsnel opwarmde en vervolgens hitte begon uit te stralen, waardoor de vogels hun lichaamstemperatuur constant houden. Tijdens de slaap gaf de bek de hitte weer af. Bij relatief koele temperaturen, daarentegen, kwam er relatief weinig hitte uit de bek, waardoor de vogels zich beter warm konden houden. Net als andere vogels kunnen toekans niet zweten, dus dienen ze hun lichaamstemperatuur op andere manieren te reguleren. De enorme oppervlakte van de bek, gecombineerd met het vermogen van toekans om er bloed naar toe te laten vloeien of bloedtoevoer er heen in te perken (snavels zijn geen dode materie) maken de bek een bijzonder efficiënte hitteregulator.

Tentakelslangen zijn de vluchtreflex van vissen te snel af

Catania, Kenneth C. - PNAS 2009, vol 106, iss 27, doi:10.1073pnas.0905183106

Vissen hebben een geëvolueerd vluchtmechanisme, de zogenaamde C-start, waardoor ze aan roofvissen kunnen ontkomen. In hun hersenstam zitten twee grote neuronen, Mauthner neuronen genaamd, die het mechanisme in gang zetten: een plotse beweging in het water laat één van de neuronen vuren, waardoor de vis kan wegvluchten in de richting die ligt tegenover de plaats waar het water bewoog. De C-start is een reflex, die automatisch en snel wordt uitgevoerd, en die hoogst waarschijnlijk ontstond door natuurlijke selectie. De tentakelslang heeft echter een aanvalstechniek die deze reflex uitbuit: tentakelslangen maken een schijnbeweging met hun achterlichaam die ze omheen de prooi leggen. Daardoor vlucht de prooivis recht in de muil van de tentakelslang, zoals kan worden gezien op de figuur (uit het artikel van Catania, 2009, PNAS).

tentakelslang

Deze ingenieuze oplossing is een voorbeeld van een rode-koningin wapenwedloop, wat veel wordt waargenomen bij roofdieren en hun prooien: als een prooidier een mechanisme verwerft door natuurlijke selectie waardoor hij het roofdier te snel af is, zal er selectieve druk ontstaan bij dat roofdier om een oplossing te vinden.

Grootschalig internationaal onderzoek peilt naar houding ten opzichte van de evolutietheorie

Stefaan Blancke

Naar aanleiding van het Darwin-jaar organiseerde de British Council, een instantie die de culturele relaties van het Verenigd Koninkrijk verzorgt, een grootschalige bevraging naar de kennis over en aanvaarding van de evolutietheorie. Meer dan tienduizend mensen in tien verschillende landen – Argentinië, China, Egypte, Indië, Mexico, Rusland, Zuid-Afrika, Spanje, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten – werden gevraagd naar hun kennis over Darwin en de evolutietheorie, hun visie op de relatie tussen de evolutietheorie en geloof en hun idee over het ontstaan van het leven op aarde. De resultaten van deze peiling zijn nu bekend gemaakt. Volgens een persbericht van 30 juni 2009 tonen de resultaten aan dat de meerderheid wel al eens gehoord heeft van Charles Darwin (behalve in Egypte en Zuid-Afrika); meer mensen denken wel dan niet dat je tegelijkertijd de evolutietheorie kan aanvaarden en geloven in God. In een zestal landen meent de meerderheid van de mensen die aangeven min of meer Darwin en de evolutietheorie te kennen dat er voldoende bewijs bestaat voor de evolutietheorie. In nog eens zes landen aanvaardt de meerderheid dat het leven op aarde geëvolueerd is op basis van natuurlijke selectie zonder tussenkomst van God, maar die percentages zijn niet echt hoog (behalve in China, nergens boven de helft). In de Verenigde Staten, Indië en Zuid-Afrika gelooft 43 percent dat het leven op aarde is geschapen door God en altijd heeft bestaan in zijn huidige vorm.
Een pdf-versie van het persbericht, waar meer details in worden vermeld, kan men hier vinden. Meer details over de bevraging vindt u hier.
Op dit moment loopt nog een ander, vergelijkbaar internetonderzoek in meer dan 50 verschillende landen, ook in België. Deze bevraging moet de grootste dataset ooit opleveren met betrekking tot de houding van een breder publiek ten opzichte van de evolutietheorie. Deelnemen kan je op: www.zoomerang.com/Survey/survey.zgi?p=WEB229CD3MTHT5

De heer der muggen (Hoe evolutionaire geneeskunde inzichten verschaft bij de ontwikkeling van insekticiden)

Read, Andrew, et al., besproken door Steven Stroeykens - http://www.plosbiology.org/article/info%3Adoi%2F10.1371%2Fjournal.pbio.1000058

Het is gemakkelijk tegen de evolutietheorie te zijn, voor een salontheoloog; een vrijblijvend ideologisch spelletje, iets voor debatten en lezersbrieven. Maar voor wie besmet is met een multiresistente ziekenhuisbacterie, die zich door evolutie heeft aangepast aan een omgeving vol antibiotica, of voor wie hiv onder de leden heeft, het aidsvirus dat in zijn lichaam in razend tempo muteert en evolueert, is evolutie een zaak van leven of dood. De virussen en bacteriën trekken zich niets aan van de sofismen van Intelligent Design, die evolueren.
Veel te lang heeft de geneeskunde gedaan alsof ze evolutie gewoon kon negeren, hoewel, in de woorden van Theodosius Dobzhansky, 'niets in de biologie is zinvol, behalve in het licht van de evolutie'.

mug

Maar de natuur kun je niet voor de gek houden, en haar evoluerende microben ook niet. Gelukkig begint de medische wereld zich dat te realiseren. Willen of niet, wij doen mee aan de darwinistische struggle for life. En als je gaat vechten in een biologische oorlog, dan liever met Darwin aan je zijde dan tégen hem. Zoals dat gaat in de wetenschap, heeft het nieuwe inzicht al een nieuwe discipline in het leven geroepen, de evolutionaire geneeskunde, met een gespecialiseerd vakblad, The Evolution & Medicine Review.
Soms levert het nieuwe onderzoeksgebied onverwachte conclusies op. Zoals de aanbeveling dat je malariamuggen maar beter kunt bestrijden met een 'zacht' insecticide dat de muggen niet te snel doodt, in plaats van met de gebruikelijke snel werkende paardenmiddelen. Dat is een van de implicaties van het onderzoek van Andrew Read van de Pennsylvania State University en zijn collega's, dat gepubliceerd is in het vakblad Public Library of Science Biology ('PLoS Biology' voor de vrienden).
De moeilijkheid met insecticiden om malariamuggen te bestrijden is dat de beestjes er steevast binnen de kortste keren resistent tegen worden. Net zoals dat gebeurt bij bacteriën en antibiotica. De reden voor de snel opkomende resistentie is niet dat de muggen intelligent herontworpen worden, maar gewoon dat telkens wanneer er gesproeid wordt, díe muggen het overleven die het best tegen de chemische aanval bestand zijn. En die overlevende muggen zijn het vervolgens die zich vermenigvuldigen tot de volgende generatie — hun concurrenten, de meer kwetsbare types, zijn door de mens uit de weg geruimd. Na een paar generaties op die manier sproeien en kweken, heb je een populatie muggen die het insecticide nauwelijks nog opmerkt.
Het gezond verstand zegt dat je bij een sproeicampagne best hard kunt toeslaan: met een snelwerkend middel dat jonge muggen al doodt vóór ze de kans hebben gehad om zich voort te planten.
Maar dat is een vergissing, volgens Read en zijn collega's. Het gezond verstand heeft het meestal bij het rechte eind, maar niet altijd. Als je de muggen doodt (of niet) vóór ze zich voortplanten, dan werkt de natuurlijke selectie, of de onbedoelde menselijke selectie, met volle kracht: de dieren die kwetsbaar zijn voor het insecticide worden efficiënt uit de populatie geëlimineerd, zodat de minder kwetsbare exemplaren in de volgende generatie het rijk voor zich hebben.
De wetenschappers denken dat het beter zal gaan met een traagwerkend gif of met een middel dat alleen oudere muggen doodt, muggen die zich al hebben voortgeplant. Zo'n strategie zou het ontstaan van resistentie verhinderen of toch sterk vertragen, en ze zou maar een beetje minder effectief zijn in het bestrijden van malaria. De reden daarvoor is dat het toch al vooral de oudere muggen zijn die malaria overbrengen. Malaria wordt veroorzaakt door een eencellige parasiet, waar de mug eerst zélf mee besmet moet worden, door een besmette mens te steken, waarna de parasiet in het muggenlichaam nog een rijpingscyclus moet doorlopen die meer dan een week duurt. Dan pas wordt de mug echt gevaarlijk, en tegen die tijd is ze naar muggennormen al vrij oud en heeft ze zich waarschijnlijk al lang voortgeplant.
Als je de muggen dán aanpakt, dan voorkom je grotendeels het overdragen van de ziekte, maar tegelijk laat je de muggen die gevoelig zijn voor je insecticide toch ook de kans om zich voort te planten, zodat de evolutie niet langer je vijand is. En Darwin lacht in zijn baard.
Johan Braeckman geeft op deze site drie gefilmde lezingen over evolutionaire geneeskunde: deel 1, deel 2, en deel 3.
Deze tekst verscheen eerder in De Standaard, 7 mei 2009

Waarom er meer soorten in de tropen zijn

Gillman, Len, et al. - Proc Roy Soc B, 25 juni 2009, doi:10.1098/rspb.2009.0674

Waarom is er zoveel meer biodiversiteit rond de evenaar dan pakweg aan de Noordpool? Nergens is de rijkdom aan dieren- en plantensoorten zo groot als in de tropische regenwouden en oceanen in de buurt van de evenaar. Gillman en collega's tonen in een recent artikel in Proceedings of the Royal Society B dat moleculaire evolutie sneller verloopt in tropische soorten dan in gelijkaardige soorten in koelere gebieden - met andere woorden, het aantal mutaties in het cytochroom b gen is veel groter in de tropische soorten dan in de soorten in een koeler klimaat.

Reactie op ‘De onnatuurlijke selectie van Charles Darwin’ (Gie van den Berghe, De Standaard, 19 juni 2009)

De leden van de onderzoeksgroep The Moral Brain, Universiteit Gent

De bedrieglijke eenvoud van de evolutietheorie
Een reactie op ‘De onnatuurlijke selectie van Charles Darwin’ (Gie Van den Berghe, De Standaard, 19 juni 2009)
Pdf-versie van dit artikel is hier beschikbaar

Versie van dit artikel zoals in de Standaard werd gepubliceerd kan men hier vinden

In een recent essay neemt Gie van den Berghe (GvdB) de zogenaamde ‘alomtegenwoordigheid’ van de evolutietheorie als uitgangspunt voor enkele kritische beschouwingen over de hedendaagse toepassing van evolutionaire inzichten in de cultuur- en gedragswetenschappen. Met die ‘alomtegenwoordigheid’ valt het volgens ons nogal mee. Vanzelfsprekend verschijnen tijdens het Darwinjaar meer boeken dan gemiddeld over Darwin en de evolutietheorie. So what? In de kop van het artikel staat dat “GvdB vindt dat het welletjes is geweest”. Moeten er dan minder boeken verschijnen over evolutietheorie? Een merkwaardige opvatting voor een auteur die reeds eerder een uittreksel uit zijn eigen boek over Darwin en evolutie in De Standaard publiceerde, en bovendien datzelfde boek – dat hij zelf ‘baanbrekend’ noemt – in de lijst opneemt van ‘de lawine’ aan boeken over Darwin. Een ‘lawine’, nota bene, die hijzelf maar niks vindt. Overigens is het aantal boeken over evolutietheorie nog steeds zeer beperkt vergeleken met, pakweg, het aantal kook- en tuinierboeken dat verschijnt. Bovendien is niemand verplicht om ze te kopen of te lezen.

Aan de fouten in het stuk van GvdB te oordelen verschijnen er veeleer te weinig dan te veel boeken over evolutietheorie. Zijn tekst bevat vooral de klassieke vooroordelen en misverstanden en toont aan hoe snel men fout kan redeneren met betrekking tot evolutietheorie. Dat bleek reeds zeer duidelijk tijdens het leven van Darwin zelf. Sommige van zijn beste vrienden, die zich medestanders noemden, hebben nooit volledig begrepen hoe het mechanisme van natuurlijke selectie werkt. Zelfs Alfred Russel Wallace, die onafhankelijk van Darwin het mechanisme van natuurlijke selectie blootlegde, was niet in staat om sommige consequenties ervan te begrijpen of te aanvaarden. De laatste decennia worden moderne evolutiebiologische inzichten, in combinatie met kennis die de cognitieve wetenschappen voortbrachten, toegepast op problemen uit de cultuur- en gedragswetenschappen. Die moderne evolutiebiologische inzichten zijn niet beperkt tot datgene wat we aan de ‘moderne synthese’, de versmelting van Darwins evolutietheorie met de twintigste-eeuwse genetica, te danken hebben. Na de ontwikkeling van de moderne synthese hebben uiterst belangrijke theoretische inzichten, voortgebracht door biologen zoals George Williams, William D. Hamilton, John Maynard Smith, Robert Trivers en anderen, de mogelijkheden van de evolutiebiologie sterk vergroot. In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw werden deze inzichten voor het eerst succesvol toegepast binnen de cultuur- en gedragswetenschappen, we denken bijvoorbeeld aan het werk van Robert Axelrod, Martin Daly en Margo Wilson, Donald Symons, John Tooby en Leda Cosmides.

GvdB lijkt te denken dat de populariteit van de evolutietheorie in diverse domeinen tegen de juistheid ervan pleit: “De aarde mag dan rond de zon draaien, nu draait alles rond Darwin” en “Darwin wordt over het paard getild. De evolutietheorie tast alles aan: filosofie, psychologie, sociologie, antropologie, geneeskunde, linguïstiek, theologie”. Pleit het niet eerder voor een theorie als deze wetenschappelijk kan worden toegepast in geheel diverse disciplines? In de wetenschapsfilosofie geldt vruchtbaarheid (toepasbaarheid en verklarende kracht) van een theorie als een argument dat de theorie gezond is. Dat Freuds psychoanalyse in het verleden ten onrechte op deze domeinen werd toegepast, is geen argument tegen evolutietheorie. Immers, het waren vooral de psychoanalytici zelf die hun theorie op al die domeinen toepasten, terwijl de evolutietheorie niet enkel door biologen, maar ook door artsen, neurowetenschappers, economen, ontwikkelingspsychologen, en antropologen wordt gebruikt. En vooral: in tegenstelling tot de psychoanalytici gebruiken zij rigoureuze kwantitatieve experimentele methodes om hun beweringen te staven. Dat wil niet zeggen dat de onderzoeksresultaten die evolutietheorie oplevert onfeilbaar zijn - dat is bij geen enkele theorie zo - wel dat we methodes hebben om de betrouwbaarheid na te gaan, en dat ze nieuwe inzichten oplevert.

Net zoals in Darwins tijd zien we dat critici moeite hebben om de basisaspecten van dergelijk onderzoek onder de knie te krijgen. Erg verwonderlijk is dat misschien niet, in acht genomen de complexiteit ervan. Niettemin, zoals het altijd gaat met nieuwe wetenschappelijke inzichten die stand blijken te houden, ruimen de handboeken plaats voor evolutionaire inzichten, en doen de jongere generaties probleemloos vernieuwend wetenschappelijk onderzoek aan de hand van de moderne inzichten. Vele disciplines, bijvoorbeeld de taxonomie, de genetica en de ecologie, namen reeds lang geleden evolutionaire inzichten over. Voor andere disciplines, zoals de psychologie, de moraalwetenschappen of de economie, is dat proces zich, in meer of mindere mate, momenteel aan het voltrekken. (Wie zich hierover grondig wil informeren verwijzen we naar http://www.hbes.com) In die zin is het stuk van GvdB interessant, omdat het ongewild de bijhorende misvattingen en vooroordelen goed blootlegt. In wat volgt, bespreken we er enkele. Lezers die hongeren naar meer verwijzen we door naar de boeken van Steven Pinker, die deze maar ook vele andere misvattingen reeds uitvoerig en afdoende heeft besproken.

GvdB maakt zich nogal druk over vroeger misbruik van de evolutietheorie, met name eugenetica en sociaal-darwinisme. Hij is van mening dat auteurs die vandaag de dag positief staan tegenover het gebruik van evolutionaire inzichten in de cultuur- en gedragswetenschappen, de periode in kwestie liever doodzwijgen, of die “uit de pas lopende darwinisten” willen “demoniseren”. Dat is niet het geval. Als men misbruik maakt van de evolutietheorie, dan gaat het precies daarover, over misbruik. Uiteraard moet men daarvoor alert zijn en er tegen protesteren wanneer nodig. Maar met de vraag of evolutietheorie wetenschappelijk iets kan bijbrengen aan de cultuur- en gedragswetenschappen heeft dat niets te maken. GvdB komt hier dicht in de buurt van de jongste lichting creationisten, die voortdurend proberen om Darwin in diskrediet te brengen door hem ten onrechte te linken aan het nazistisch en ander aangebrand gedachtegoed. GvdB is geen creationist met betrekking tot de evolutie van het leven op zich, maar zoals meerdere academici die enkele decennia geleden hun vorming kregen in het toentertijd door marxistische, cultuurrelativistische en psychoanalytische denkbeelden gedomineerde (mens-)wetenschappelijke klimaat, is hij creationist vanaf de (menselijke) nek. Daarom heeft hij het ook, net zoals de christelijke creationisten, over de “evolutionisten” als hij spreekt over wetenschappers die evolutionaire inzichten gebruiken om menselijk gedrag beter te begrijpen. Hij bedoelt het, voor alle duidelijkheid, denigrerend. Nergens in het stuk van GvdB lezen we echter een voorbeeld dat zou kunnen aantonen dat die zogenaamde "evolutionisten" wetenschappelijk op het verkeerde spoor zitten.

Sommige onjuistheden in het stuk gaan zelfs in tegen basisaspecten van de evolutietheorie, zowel wat de geschiedenis als wat de inhoud ervan betreft. Zo stelt GvdB dat “verscheidene filosofen en biologen al lang voor Darwin hadden aangetoond dat de mens niet is geschapen maar uit ‘lagere’ levensvormen is geëvolueerd.” Het zou ons, en ongetwijfeld vele wetenschapshistorici, sterk interesseren om te weten aan wie GvdB zoal denkt. Uiteraard speculeerden meerdere auteurs vóór Darwin over evolutie, inclusief die van de mens (o.a. Erasmus Darwin, Jean-Baptiste Lamarck, Robert Chambers). Maar niemand vóór Darwin had een wetenschappelijke, overtuigende theorie hierover, laat staan dat ze werken over evolutie publiceerden waarvan het wetenschappelijke niveau vergelijkbaar was met On the Origin of Species en The Descent of Man. Maar belangrijker is ons volgende voorbeeld. Op het einde van zijn stuk schrijft GvdB dat “seksstandjes trefzekerder zouden zijn wat betreft de voortplanting, mochten ze genetisch bepaald zijn”. Het vat goed samen hoe snel men fout kan redeneren over evolutietheorie. Niemand denkt dat seksstandjes “genetisch bepaald” zijn. Vanzelfsprekend kan het seksueel gedrag van mensen vele vormen aannemen. Het is net dankzij evolutionair geïnspireerd onderzoek dat men is gaan beseffen dat seksueel gedrag zich op verschillende manieren kan manifesteren omdat het verschillende biologische en sociale functies kan hebben: coalities sluiten, agressie intomen, macht uitoefenen, relatiebanden versterken, plezier beleven, enzovoort. Het is erg belangrijk om te begrijpen dat de evolutietheorie niet beweert dat seksueel gedrag evolueerde ‘voor’ de voortplanting. Veeleer stelt men dat voortplanting een statistisch gevolg is van seksueel gedrag. Dat is een totaal andere opvatting dan diegene die GvdB aan evolutiebiologen en evolutiepsychologen toeschrijft.

Bovendien sluit het bestaan van geëvolueerde, biologische functies niet uit dat mensen ook zelf bepalen waarvoor ze iets gebruiken en waarvoor niet. De evolutie van de werking van het menselijke evenwichtsorgaan heeft wellicht iets te maken met het feit dat onze voorouders rechtop zijn gaan lopen, maar dat verhindert ons niet om datzelfde evenwichtsorgaan vandaag de dag aan te wenden om te fietsen en te skateboarden.

Sommige opvattingen van GvdB zijn niet zozeer fout, maar veeleer naast de kwestie. Voortdurend komt uit zijn stuk naar voren dat onderzoekers die evolutietheorie gebruiken, “genetische deterministen” zouden zijn. Maar niemand die onderzoek doet binnen het brede domein van verschillende evolutionaire benaderingen is ‘genetisch determinist’. In het geval van evolutiepsychologie doet men onderzoek naar mentale, psychologische mechanismen, de manier waarop die zijn geëvolueerd en de wijze waarop ze werken in specifieke contexten. Zo weten we bijvoorbeeld dat visuele perceptie mogelijk is dankzij ruim twintig verschillende mentale mechanismen, die samen zorgen voor de waarneming van kleuren, van beweging, van diepte, enzovoort. Dankzij al die vermogens kunnen we gezichten zien, naar schilderijen en films kijken, de horizon waarnemen, en dergelijke meer. Het punt is dat deze verscheidenheid aan benodigde mechanismen ook een verscheidenheid aan gedrag mogelijk maakt. De redenering van GvdB komt erop neer dat, volgens hem, evolutiepsychologen denken dat genen ons rechtstreeks naar de bioscoop doen gaan. In werkelijkheid beïnvloeden onze genen de ontwikkeling van een arsenaal aan mentale mechanismen die, in de manier waarop ze reageren op omgevingsfactoren, begrijpelijk maken waarom wij bioscoopbezoek interessant en leuk vinden.

Een ander misverstand dat meermaals in de tekst opduikt, is de opvatting die GvdB toeschrijft aan evolutionair denkende wetenschappers over de verhouding tussen cultuur en natuur. Het is reeds vele malen, door talloze auteurs, uitvoerig en helder uiteengezet dat het volkomen fout is om te denken dat natuur en cultuur tegenover elkaar staan. Niettemin volhardt GvdB in deze valse tegenstelling en, veel erger nog, hij schrijft zijn eigen denkfout ook toe aan diegenen die hij probeert te bekritiseren. Zo schrijft hij dat “vandaag alles biologisch bepaald lijkt”. Maar er is niemand die dit schrijft of denkt. GvdB zelf is wel van mening dat “cultuur het haalt op natuur”, wat neerkomt op de opvatting dat de lengte het haalt van de breedte, voor wie wil weten hoe een rechthoek in elkaar zit.

Evolutiepsychologen, of door evolutietheorie geïnspireerde antropologen, sociologen, economen, enzovoort, proberen uiteraard niet aan te tonen dat ‘natuur’ belangrijker is dan ‘cultuur’ bij de studie van menselijk gedrag. Men probeert daarentegen wel te onderzoeken hoe geëvolueerde biologische mechanismen cultuur mogelijk maken. Er is geen simpele tegenstelling tussen natuur en cultuur. Natuur maakt cultuur mogelijk, en cultuur kan op haar beurt natuur beïnvloeden. De vragen die GvdB zich doorheen zijn tekst stelt, zijn veelzeggend naast de kwestie. Zo schrijft hij: “Hoe kan je vaststellen dat iets van nature is ingebouwd, en niet door cultuur is ontstaan? Elk nieuw menselijk leven wordt van bij zijn conceptie ondergedompeld in cultuur. Gebruiken, gewoonten en regels worden voortdurend aangereikt en aanhoudend ingepompt, iets wat ook nodig blijkt te zijn.” Afgezien van het feit dat “van bij de conceptie” misschien wat vroeg is, is dit een nogal triviale opmerking. Uiteraard komen pasgeborenen terecht in door en door culturele omgevingen. Maar waar dit voor GvdB blijkbaar op een of andere manier aantoont dat ‘natuur’ hierdoor overbodig wordt, is de interessante vraag net welke natuurlijke mechanismen het mogelijk maken dat we zulke door en door culturele wezens zijn. Het is net een van de basisopdrachten van de evolutiepsychologie om, aan de hand van evolutiebiologische inzichten enerzijds en de kennis ontwikkeld binnen een hele reeks van disciplines anderzijds, te onderzoeken hoe onze geëvolueerde mentale ‘gereedschapskist’ ons uitermate flexibel gedrag en de diversiteit aan culturen kan voortbrengen. Die evolutiebiologische inzichten steunen in het bijzonder op theoretische ontwikkelingen van de tweede helft van de twintigste eeuw, zoals de ‘inclusive fitness’-theorie van William D. Hamilton en de ‘parental investment’-theorie van Robert Trivers. Deze en andere theorieën, die uit Darwins evolutietheorie zijn voortgekomen maar, belangrijk, die inzichten voortbrachten en voortbrengen onafhankelijk van Darwins theorie, laten toe hypothesen te formuleren en voorspellingen te doen over meerdere gedragsvormen, die te maken hebben met voedsel, communicatie, relaties, seksualiteit, altruïsme, emoties, samenwerking, enzovoort. Vervolgens doet men, met behulp van meerdere disciplines, empirisch en experimenteel onderzoek om de hypothesen te testen, waardoor men gaandeweg ontrafelt wat het palet aan mentale mechanismen is waarover mensen, en dit in alle culturen, beschikken. Een zeer eenvoudig voorbeeld kan dit illustreren. Zowel de feiten als de logica van natuurlijke selectie maken het aannemelijk dat een emotie zoals angst niet volkomen ongericht is. Ethologische bevindingen toonden reeds geruime tijd geleden aan dat verschillende organismen een aangeboren angst hebben voor de ‘juiste’ dieren. Meeuwenkuikens, bijvoorbeeld, hebben angst voor het silhouet van een havik, maar niet voor dat van een duif. Kunnen we nu veronderstellen dat ook mensen sneller angst ontwikkelen voor datgene wat effectief gevaarlijk is, en dat hieraan aangeboren mechanismen ten grondslag liggen? Het antwoord blijkt positief, maar leermechanismen spelen een zeer belangrijke rol. Bij mensen, en wellicht ook bij niet-menselijke primaten, geldt blijkbaar dat er niet zozeer aangeboren angst-mechanismen zijn voor specifieke dieren of situaties, maar wel om bepaalde angsten sneller aan te leren dan andere. Studies wijzen uit dat kinderen, ook als ze in een grootstad leven, gemakkelijk angst aanleren voor wilde dieren, maar niet voor, pakweg, bloemen of meubels. ‘Aangeboren’ is dus niet in strijd met ‘aangeleerd’. Aangeboren mogelijkheden zorgen er net voor dat we sneller en beter kunnen leren. Dat blijkt voor angst te gelden, en wellicht ook voor vele andere belangrijke menselijke eigenschappen, zoals bijvoorbeeld taal en moraliteit.

Merk op dat het uiteraard niet enkel evolutiepsychologen zijn die al dit onderzoek uitvoeren. Evolutiepsychologie reikt de middelen aan waarmee onderzoekers uit vele disciplines onderzoek kunnen uitvoeren dat niet alleen, zoals traditioneel het geval was, focust op het ‘proximate’ niveau (hoe, en door welke omstandigheden, wordt een eigenschap of functie geactiveerd, en hoe werkt ze?), maar ook op zoek gaat naar de ‘ultimate’ logica van wat men bestudeert (waarom is een eigenschap of functie geëvolueerd?). Evolutiepsychologische inzichten worden momenteel gebruikt in zeer uiteenlopende disciplines zoals kunstwetenschappen, economie, kunstmatige intelligentie, literatuurwetenschappen, moraalwetenschappen en communicatiewetenschappen. Evolutiepsychologen, en wetenschappers die met evolutionaire en evolutiepsychologische inzichten werken, gaan tewerk zoals andere wetenschappers, in om het even welke discipline die in staat is tot theorievorming en experimentele toetsing, maar ze laten zich mede inspireren door historische, dat wil zeggen evolutionaire, inzichten.

De sjablonen waarin GvdB denkt lijken behoorlijk vastgeroest. Zo wil hij bijvoorbeeld enkel het bestaan van geëvolueerde basismechanismen voor het menselijke morele gedrag aanvaarden indien “het bestaan van morele gedragsgenen is aangetoond”. Het is nochtans zo dat geen enkele evolutionair geïnspireerde filosoof of wetenschapper van mening is dat dergelijke genen bestaan. Laat ons een analogie uitwerken om dit misverstand te verduidelijken. Stel dat we niet zouden weten hoe een vliegtuig werkt. Een ingenieur kan dan op zoek gaan naar de mechanismen die ervoor zorgen dat een vliegtuig aan de zwaartekracht ontsnapt. Hij zou al snel vaststellen dat er niet één ‘vliegmechanisme’ is dat ergens in het vliegtuig zit verborgen. Het is niet één onderdeel van het vliegtuig dat ervoor zorgt dat het vliegtuig vliegen kan. Het vliegtuig kan vliegen dankzij honderden, misschien duizenden afzonderlijke mechanismen, die stuk voor stuk een welbepaald probleem oplossen. De ingenieur zou die mechanismen proberen te inventariseren, en onderzoeken welke problemen ze oplossen en hoe ze daarvoor zijn ontworpen. Gaandeweg zou ook zijn inzicht groeien in de manier waarop de gezamenlijke werking van al die onderdelen, het mogelijk maakt dat het vliegtuig vliegen kan. Dit is ook de wijze waarop evolutionair geïnspireerde wetenschappers onderzoek doen: ze pogen de talloze mechanismen bloot te leggen die menselijk gedrag, waaronder moreel gedrag, mogelijk maken. Daarbij worden ze geleid door de veronderstelling dat die mechanismen een evolutionaire geschiedenis hebben, en dus in principe kunnen begrepen worden dankzij inzicht in de manier waarop evolutie werkt. GvdB is blijkbaar van mening dat men op zoek is naar dat ene, wonderlijke en mysterieuze onderdeel dat vliegen mogelijk maakt.

Laat ons nog beklemtonen dat het toepassingsgebied van de evolutietheorie binnen de cultuur- en gedragswetenschappen meerdere disciplines bundelt, elk met hun eigen vraagstelling en onderzoeksmethode. In een onderlinge dynamiek, en steeds gebaseerd op de wetenschappelijke methode, proberen ze onze kennis omtrent menselijk gedrag te verruimen. Dit staat in schril contrast met het karikaturale beeld dat GvdB schetst van dit interdisciplinaire onderzoeksgebied. Hoewel wij het nuttig vinden om de blijvende misvattingen omtrent de theorie verder aan te stippen en te verhelderen voor een breed publiek, zijn krantenartikelen echter verre van de geschikte plaats om ernstige en wetenschappelijke discussies hieromtrent te voeren. Zoals het een wetenschappelijke discipline betaamt, worden die immers gevoerd in internationale vaktijdschriften en tijdens congressen en symposia.

Het moet ons tot slot van het hart dat GvdB niet alleen zijn eigen misvattingen projecteert op diegenen die hij als zijn tegenstanders beschouwt, maar dat hij hen ook op een nogal neerbuigende manier behandelt. Zo meent hij dat het boek van Jan Verplaetse (Het morele instinct, 2008) “een samenraapsel is van weetjes en speculaties” en dat Verplaetses eigen studies “weinig om het lijf” hebben. Het maakt het artikel niet bepaald geloofwaardiger. (Lees hier een reactie van Jan Verplaetse op GvdB).

Lees hier een reactie van Gie van den Berghe op dit stuk.
Auteurs: de leden van de onderzoeksgroep The Moral Brain (Universiteit Gent, http://www.themoralbrain.be)

Reactie door Jan Verplaetse op ‘De onnatuurlijke selectie van Charles Darwin’ (Gie van den Berghe, De Standaard, 19 juni 2009)

Jan Verplaetse, Faculteit Rechtsgeleerdheid, Vakgroep Grondslagen en geschiedenis van het recht

Reactie op Gie van den Berghe (De onnatuurlijke selectie van Charles Darwin, De Standaard der Letteren, 19 juni 2009)

Dit is een reactie op het artikel De onnatuurlijke selectie van Charles Darwin door Gie van den Berghe (GvdB)

Pdf-versie van dit artikel is hier beschikbaar

In De Standaard der Letteren (19 juni) verscheen een bespreking van mijn boek (Het morele instinct, 2008) door Gie van den Berghe (GvdB) als onderdeel van een lang essay tegen de zogenaamde “evolutionisten”. Ik moet bekennen dat ik uitkeek naar zijn kritische en scherpe reactie die hij eerder in een e-mail had aangekondigd. Mijn boek dat onlangs de Eurekaprijs won, werd tot nu toe noch in Vlaanderen noch in Nederland grondig besproken. Bovenden is GvdB een collega moraalwetenschapper (eveneens verbonden aan Universiteit Gent) die, zoals hij het zelf stelt, veeleisend is als het om wetenschap gaat. Dus eindelijk, zo denk je dan, iemand met kennis van zaken die mijn visie op het morele verschijnsel aan een kritische blik kan onderwerpen. Helaas moet ik na het lezen van zijn recensie vaststellen dat hij die wetenschappelijke veeleisendheid niet op zichzelf toepast.
Vooreerst ben ik geschrokken van de talloze laatdunkende en lacherige frasen en zinsneden in de bespreking. Formuleringen als “samenraapsel van weetjes en speculaties”, “wereldvreemde visie”, “naar zijn hand zetten”, “wegredeneren”, “toegeven dat zijn onderzoek weinig om het lijf heeft” zijn wellicht polemisch bedoeld, maar lijken me erg ongepast in een kritische bespreking die, naar ik aanneem, ernstig bedoeld is. Die spottende toon past bij mensen die denken de waarheid in pacht te hebben, maar niet bij collega’s moraalwetenschappers die zich buigen over een theorie die misschien niet de hunne is, maar die niettemin gestaafd wordt met argumenten, studies en redeneringen. Dit boek vat mijn kijk op het verschijnsel moraal na 15 jaar onderzoek samen, maar dit zonder enige pretentie dat ik het bij het rechte eind heb of dat ik alle problemen heb opgelost. Hoe zou dit ook mogelijk zijn? Ik sta open voor alle kritiek, maar respect en ernst lijken me essentiële voorwaarden voor een zinvolle discussie.
Maar laat ik niet teerhartig zijn en ingaan op enkele bezwaren die GvdB in zijn recensie uit. De meeste bezwaren zijn echter terug te voeren zijn op een verkeerd begrip van mijn “biologische kijk op moraal”. Een korte samenvatting van die visie aan de hand van twee stellingen is daarom noodzakelijk.
Mijn eerste stelling luidt als volgt: ik denk dat mensen over biologische, automatische en emotionele processen beschikken die ons eigenbelang afremmen en ons gedrag in overeenstemming brengen met de behoeften van anderen of van de samenleving in haar geheel. Ik heb in mijn boek vier van deze moralen onderscheiden die gebouwd zijn rond complexen van emoties en gedrag, in het bijzonder: de hechtingsmoraal, geweldmoraal, reinigingsmoraal en samenwerkingsmoraal. Al deze moralen hebben morele gevolgen, wat minimaal betekent dat we bereid zijn om dingen te doen die indruisen tegen onze onmiddellijke persoonlijke belangen en behoeften. We maken kosten die niet (onmiddellijk) terugbetaald worden. Bovendien kan je elk van die moralen opbouwen rond aparte, maar heel herkenbare emoties of complexen van emoties, zoals inleving (hechtingsmoraal), angst (geweldmoraal), walging (reinigingsmoraal), vertrouwen en bedrog (samenwerkingsmoraal). Een vijfde moraal die ik beginselenmoraal of ethiek noem, is niet gebouwd op emoties en automatische processen, maar op rationele toetsing en redelijke argumentatie. Die moraal corrigeert wanneer de andere moralen tekortschieten, onderling conflicteren of tot “immorele” toestanden leiden. Ik heb geen zekerheid dat er slechts vijf moralen zijn. Ik daag de lezers uit om er nieuwe aan toe te voegen en uit te werken. Helaas aan de volgende bemerking van GvdB heb ik niets: “Inderdaad, als je driften, behoeften, noden, emoties en instincten omdoopt tot ‘moralen’, is het einde niet in zicht.” En dan volgt een aantal voorbeelden zoals seks-, doods-, bezits-, tuiniermoraal (dat spottende lachje, nietwaar). Ik heb hier gewoon niets aan omdat de twee voorwaarden niet vervuld zijn. Eén: welke zijn de morele gevolgen in termen van afremming van het (onmiddellijke) eigenbelang? Twee: rond welke herkenbare emoties of complexen van emoties kan die moraal worden opgebouwd? GvdB geeft er geen en ik zie er geen. Hij voegt hieraan toe dat iets wat morele gevolgen heeft, daarom niet zelf moreel is. Dat zal wel, maar dat is precies één van de kernboodschappen van het boek: we hebben vele moralen die ons ertoe aan zetten om allerlei dingen voor anderen en de samenleving te doen, en dit om velerlei redenen, maar dit betekent nog niet dat dit ethisch is. Hiervoor hebben we bovenal een beginselenmoraal nodig. Elke moraal kan, ethisch gezien, “immoreel” zijn.
Mijn tweede stelling houdt het volgende in. Hoewel ik denk dat moraal een biologische oorsprong heeft, brengt dit niet met zich mee dat we gedetermineerd zijn tot welbepaald moreel gedrag. Ook op moreel vlak zijn we uitermate flexibele wezens. Was dit niet het geval, dan had de beginselenmoraal overigens geen zin. Die moraal kon dan niet meer corrigerend optreden. Op talrijke plaatsen in het boek zeg ik uitdrukkelijk dat morele instincten omgeleid, versterkt, uitgeschakeld of overstemd kunnen worden. Je vindt daarvan vele voorbeelden. Al is het niet altijd eenvoudig om biologische gedragspatronen te onderdrukken of om te leiden, het is vrijwel altijd mogelijk. Moeders die hun kind voor adoptie afstaan en chirurgen die hartoperaties uitvoeren kunnen of moeten hun hechting en inleving gering houden. Maar het zou onjuist zijn te beweren dat die er niet is of was. GvdB gaat totaal voorbij aan die flexibiliteit. Zo trekt hij uit mijn beschrijving van de hechtingsmoraal de conclusie dat “we niet anders kunnen dan onze familieleden helpen, het zit in onze genen” of vindt hij dat de “naar mijn hand gezette” interpretatie van het beroemde Milgramexperiment “genetisch bepaalde agressieremmen” impliceert. Nergens stel ik dit. Die toevoegingen zijn voor rekening van de recensent, die overigens ook op andere plaatsen naar ongeoorloofde conclusies springt. Zo wijdt hij een hele slotparagraaf aan een detail uit het boek waarin ik slechts zeg dat het hechtingshormoon oxytocine meer vrijkomt bij het paren in de missionarishouding. Dit is een bevinding die waar of fout kan zijn en indien waar toont ze gewoon dat oxytocine bij heel veel processen betrokken is. Maar hieruit moet je toch niet de conclusie trekken dat die paarhouding kenmerkend of natuurlijk zou zijn voor mensen. Laat staan dat je dit moet ontkrachten door je kennis te etaleren van seksuele gewoonten over de eeuwen heen.
Die hardnekkige, maar geheel onterechte neiging om ‘biologisch’ en ‘instinctief’ gelijk te stellen met genetisch gedetermineerd heeft eigenaardige gevolgen. Zo ziet GvdB een scherpe tegenstelling tussen enerzijds het hechtingsmechanisme dat zorgt voor zorg, inleving en liefde tussen mensen met een onderlinge band en anderzijds de genetica die het helpen van verwanten mogelijk of, in zijn visie, noodzakelijk maakt. Ik vermoed dat GvdB het hechtingsproces als iets cultureels ziet en de “morele genen” voor het helpen van familieleden als iets biologisch. En aangezien er geen “morele genen” zijn – ze werden althans nog niet gevonden – , merkt hij hier tot zijn grote tevredenheid een overwinning van cultuur op natuur. Ik ben niet de eerste om de recensent attent te maken op het onderscheid tussen ultimate oorzaken (“Waarom is een eigenschap of functie geëvolueerd?”) en proximate oorzaken (“Hoe, en door welke omstandigheden, wordt een eigenschap of functie geactiveerd?”). Ik zal ook niet de laatste zijn om dat evidente onderscheid duidelijk te maken met verwijzing naar het verschil tussen voortplanting (ultimate oorzaak) en seks of lust (proximate oorzaak). Maar bovenal kan ik niet begrijpen hoe je wetenschappelijk kunt verklaren hoe cultuur alleen in staat is om hechtingsprocessen voort te brengen. Je vindt die processen bij zowat alle zoogdieren in meer of mindere mate. Dus ook bij dieren die niet over enige cultuur beschikken maar die niettemin vergelijkbare emoties en moreel gedrag (hechtingsmoraal) vertonen als wijzelf. Om de oorsprong en het functioneren van dit proximate mechanisme goed te begrijpen hebben we een neurobiologische verklaring nodig. Eenmaal we hierover beschikken, kunnen we kijken hoe de neurobiologie van de hechting bij de mens door culturele factoren beïnvloed wordt. Maar ook die factoren hebben hun neurobiologische equivalent. De achterhaalde visie die GvdB van de verhouding natuur en cultuur heeft, maakt van een zo fundamenteel proces als hechting een quasi mystiek fenomeen dat geheel ontoegankelijk is voor ernstig wetenschappelijk onderzoek.
Een al even droevig gevolg van deze vernauwing is dat de recensent geen greep krijgt op een tegenstelling die ik in dit boek precies tracht te overbruggen. Van oudsher kiezen moraalwetenschappers hetzij de pessimistische zijde van Hobbes (“de mens is van nature slecht”), hetzij de optimistische zijde van Rousseau (“de mens is van nature goed”). Ik dacht, net als vele lezers, dat mijn boek net de verdienste had om die opgedrongen keuze te verlaten. De mens beschikt over diep verankerde biologische processen die zowel ontroerende dingen kunnen bewerkstelligen als vreselijke dingen kunnen aanrichten. Niet zelden ontstaan die laatste uit morele emoties. Denk maar aan gruwelijke reinigingsrituelen. Om die redenen is er niets tegenstrijdigs aan agressieremming enerzijds en spontaan geweld anderzijds. We hebben de beide in ons en afhankelijk van de context waarin we ons bevinden, wordt het ene mechanisme dan wel het andere geactiveerd. Terwijl GvdB me verwijt aan “hokjesdenken” te bezondigen, dacht ik de hokjes net te vermijden door het belang van de omgeving te onderstrepen waarin die instinctieve moralen zich ontwikkelen. Ik dacht ook afdoende te hebben beschreven hoe die verschillende morele systemen met elkaar in aanvaring kunnen komen en hoe je jongeren die altijd eerst opgroeien in een hechtingsmoraal waarin warme waarden zoals liefde en genegenheid centraal staan, via culturele rituelen moet omturnen tot genadeloze krijgers in levensbedreigende situaties die hetzij echt hetzij ingebeeld zijn. Geweldmoraal conflicteert hier met hechtingsmoraal – agressie staat tegenover inleving – , maar dit conflict impliceert helemaal geen contradictie. Cultuur zoekt een uitweg voor onze rijke morele biologie. GvdB begrijpt dit samengaan niet – “Kinderen, zo luidt het nu, gebruiken spontaan geweld“ – en opnieuw denk ik dat zijn vernauwing tot genetisch determinisme hiervoor verantwoordelijk is. Als je gelooft in genen voor “goedheid” of “slechtheid” of je veronderstelt die eenvoudige visie bij de auteur, dan moet je natuurlijk wel partij kiezen. Verdedig je echter een meer volwassen kijk op de biologie van het gedrag, dan kan die tegenstelling best schijnbaar zijn. Dan kan je zelfs verdedigen, zoals ik in mijn boek doe, dat moraal het slechtste uit de mens naar boven kan halen. Ik had gehoopt dat GvdB als collega moraalwetenschapper, die toch op de hoogte moet zijn van het recente onderzoek op ons vakgebied, mijn visie zou hebben begrepen en op zijn eigenlijke merites zou hebben onderzocht. Net zoals ik had gehoopt dat hij zich minder door zijn ideologische afkeer tegen de evolutietheorie had laten leiden en mijn boek grondiger had gelezen.
Ten slotte nog dit. GvdB vecht de juistheid en betrouwbaarheid van sommige beweringen aan, wat uiteraard zijn goed recht en zelfs zijn plicht is, maar ook hier is de auteur niet bepaald veeleisend. Het bestaan van een agressieremmend mechanisme dat ik inderdaad verdedig, kan je immers niet ontkrachten met een onvoorstelbaar cliché (“Tja, lees de wereldgeschiedenis erop na”), een anekdote (Darwin die in zijn kindertijd stiekem dieren mishandelde), het bestaan van een wettelijk verbod (wetgeving tegen dierenmishandeling) of het poneren van een alternatieve verklaring zonder enig bewijs (in het kader van het Milgramexperiment). Ik sta voor discussie open maar dan aan de hand van deugdelijke argumenten en zonder dat lacherige toontje van “Ik weet alles best”. Zijn povere lectuur van mijn boek bewijst alvast het tegendeel.

Prof. Dr. Jan Verplaetse
Faculteit Rechtsgeleerdheid, Vakgroep Grondslagen en geschiedenis van het recht
Universiteit Gent

Voor een tweede reactie op hetzelfde artikel, zie hier.

Rommel-DNA blijkt schat voor evolutietheorie

Vinces et al. - Science, 29 mei 2009, 324, 213-216, 10.1126/science.1170097

Stukjes DNA waarvan voorheen gedacht werd dat ze nutteloos zijn (zogenaamd 'rommel-DNA' of 'junk-DNA' blijken een belangrijke rol te spelen in de evolutie van ons genoom, zo stellen VIB-onderzoekers verbonden aan de K.U.Leuven en Harvard University. Ze tonen immers aan dat deze DNA-stukjes cellen in staat stellen te overleven in wijzigende omstandigheden. Deze resultaten werden gepubliceerd in Science.

junkDNA
‘Veel mensen beseffen niet dat onze genen slechts instaan voor 3% van het totale DNA. De rest, het zogenaamde niet-coderende DNA, is eigenlijk één groot mysterie’, zegt Kevin Verstrepen. ‘Waarom hebben we dat DNA, en wat doet het?’. Met deze vraag doken hij en zijn onderzoeksteam het labo in, op zoek naar antwoorden.

Vroeger dacht men dat het grootste deel van het niet-coderende DNA eigenlijk alleen maar rommel was, compleet nutteloos ‘Junk’-DNA dat per toeval in ons genoom beland was en nu als een soort oer-parasiet mee gekopieerd wordt bij elke celdeling. Het beste voorbeeld daarvan zijn de zogenaamde tandem-herhalingen, stukjes DNA die kop-aan-staart herhaald worden. ‘Op het eerste zicht lijkt het inderdaad onwaarschijnlijk dat zulk stotter-DNA een functie heeft’, zegt Marcelo Vinces, een van de wetenschappers betrokken in het onderzoek, ‘maar zelf heb ik nooit kunnen geloven dat de natuur echt afval zou bijhouden’. Veranderlijke herhalingen De onderzoekers stelden vast dat de tandemherhalingen een belangrijke invloed hebben op de activiteit van genen die in hun buurt liggen. De herhalingen beïnvloeden immers hoe het DNA verpakt wordt, en die verpakking bepaalt hoe sterk een gen geactiveerd kan worden. Bovendien bleek uit het onderzoek dat de herhalingen erg onstabiel zijn. Het precieze aantal keer dat een stukje DNA herhaald wordt, verandert erg snel in vergelijking met veranderingen in andere stukjes DNA. Dat is erg interessant, omdat deze snelle veranderingen de verpakking en dus de activiteit van naburige genen verandert. Het is alsof de tandemherhalingen een soort versnellingsmachine voor evolutie zijn. En dat is goed nieuws, want wetenschappers begrijpen nog steeds niet helemaal hoe levende wezens zo snel konden evolueren en nieuwe eigenschappen ontwikkelen. ‘Snelle veranderingen blijven een uitdaging voor Darwins evolutietheorie. Onze studie toont aan hoe ‘junk’-DNA van onschatbare waarde kan zijn om te overleven in een snel veranderende wereld’, zegt Marcelo Vinces.
Om hun theorie kracht bij te zetten, voerden de onderzoekers een grootschalig experiment uit waarbij ze evolutie in het laboratorium nabootsten. Zo toonden ze aan dat cellen waarbij het ’junk’-DNA verwijderd was er niet in slaagden om zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden en daarom stierven. Cellen met DNA-herhalingen konden zich wel snel aanpassen en overleven. Kortom, zogenaamd ‘junk’-DNA kan levens redden! ‘Dat soort experimenten doen we weliswaar met gistcellen’, lachen de onderzoekers. ‘We kunnen moeilijk een paar miljoen mensen in een labo opsluiten en over een paar duizend of miljoen jaar bekijken of ze sterven, of hoe ze zich aanpassen aan nieuwe omstandigheden’.
Dit onderzoek werd uitgevoerd door Marcelo Vinces, Matthieu Legendre en collega’s onder leiding van Kevin Verstrepen in het FAS Center for Systems Biology, Harvard University en het VIB Laboratorium Systeembiologie, K.U.Leuven (http://www.vib.be/Research/EN/Research+Departments/Systems+Biology).

Kriebelen en de evolutie van de menselijke lach

Marina Davila Ross, Michael J Owren, & Elke Zimmermann - Current Biology, 14 juni 2009 doi:10.1016/j.cub.2009.05.028

De menselijke lach is uniek - zelfs bij nauwste verwanten, de mensapen (chimpansee, bonobo, orang oetan e.d.) wordt er niet gelachen. Ook huilen (met tranen) is iets uniek menselijk, ondanks spreekwoordelijke krokodilletranen. Toch meende Darwin in zijn Expression of the emotions in man and animals dat onze gezichtsuitdrukkingen en emoties hun wortels vinden in vroegere soorten. Totnogtoe had men echter weinig succes voor wat betreft de menselijke lach.

gekriebelde_mensaap

In een studie door Marina Davila Ross, Michael J Owren, & Elke Zimmermann blijkt dat de geluiden die mensapen uitstoten wanneer ze gekriebeld worden gelijkenissen vertoont met lachen bij mensen. Chimpansees, orang oetans en gorilla's lachen niet, zoals mensen, om vreugde uit te drukken, maar wanneer zij worden gekriebeld stoten ze acoestische signalen (een soort ritmisch gehijg) uit die lijken op lachen door mensen en baby's wanneer zij gekriebeld worden. Bovendien blijkt uit een kwantitatieve analyse dat dit geluid meer lijkt op lachen naarmate de mensaap in kwestie dichter verwant is aan de mens - chimpansee geluiden lijken meer op lachen dan gorillageluiden bijvoorbeeld. Dit onderzoek toont aan dat de menselijke lach inderdaad continu is met geluiden die mensapen maken, zoals Darwin reeds dacht.
Via de volgende link is een filmpje te vinden waarop videomateriaal van deze studies wordt getoond: http://news.nationalgeographic.com/news/2009/06/090604-apes-laugh-tickle...