UGent

Nieuws

De kennis en acceptatie van evolutietheorie van docenten die lesgeven aan toekomstige leerkrachten in de VS

Guillermo Paz-y-Miño-C & Avelina Espinosa - http://docs.rwu.edu/nesciencepublicevolution/vol2/iss1/1/

Wat denken de docenten van toekomstige leerkrachten in de VS over evolutietheorie? Guillermo Paz-y-Miño-C en Avelina Espinosa maakten een grondige studie over de kennis en acceptatie van de evolutietheorie onder deze docenten, verspreid over 281 universiteiten in de Verenigde Staten. Uit hun studie blijkt dat zij een vrij lage acceptatie van evolutie hebben, slechts 59% (in vergelijking met 94% in onderzoekers aan universiteiten in New England, 6 rijke en goed geëduceerde staten in the noordoosten van de VS). Hun scores op wetenschappelijke kennis van evolutietheorie en verwante feiten (zoals de leeftijd van het universum) was hoger dan die van universiteitsstudenten, maar significant lager dan die van vermelde onderzoekers. 59% van de docenten zeiden dat ze religieus waren. Religiositeit correleerde negatief met de mate waarin evolutietheorie aanvaard werd. Zoals de auteurs van deze studie aangeven, het is enigszins verontrustend dat de docenten van toekomstige leerkrachten in de VS een relatief lage acceptatie hebben van de evolutietheorie.

Zie meer hier: http://docs.rwu.edu/nesciencepublicevolution/vol2/iss1/1/

DNA van hominide voorouder verrast paleoantropologen

Johan De Smedt - Meyer et al., Nature, 2013, doi:10.1038/nature12788 http://www.nature.com/nature/journal/vaop/ncurrent/full/nature12788.html

Dankzij de analyse van oud DNA kunnen paleoantropologen meer te weten komen over de verwantschap tussen uitgestorven soorten. De extractie en analyse van oud DNA is erg moeilijk. DNA gaat verloren als het niet onder de juiste omstandigheden (koel en droog) werd geconserveerd, en er treedt vaak besmetting op tussen oud DNA en het DNA van de onderzoekers (archeologen die de beenderen opgraven). Toch zijn genetici er in geslaagd het DNA van uitgestorven soorten zoals de Neanderthaler, wolharige mammoet, en holenbeer te reconstrueren.

Matthias Meyer en collega’s beschrijven in Nature hun analyse van het mitochondrisch DNA van hominiden uit de Sima de los Huesos (letterlijk, put met beenderen) in Spanje. Deze beenderen zijn minstens 300 000 jaar oud. Nooit eerder is iemand er in geslaagd het DNA te reconstrueren van menselijke hominiden die zo oud zijn. Extractie was moeilijk, er was maar liefst 2 gram beenmateriaal nodig, gehaald van een dijbeen, om voldoende genetisch materiaal te verzamelen.

Mitochondrisch DNA (mtDNA) is het DNA dat in de mitochondriën van elke cel zit. Mitochondriën zijn verantwoordelijk voor het leveren van energie aan de cel. Ze hebben hun eigen DNA, dat via de moeder wordt doorgegeven. Door sequenties van mtDNA met elkaar te vergelijken, kunnen genetici te weten komen hoe dicht soorten aan elkaar verwant zijn. Soorten met mtDNA dat sterk op elkaar lijkt, hebben een meer recente gemeenschappelijke voorouder dan soorten met mtDNA dat meer verschilt. Op basis daarvan construeert men fylogenetische stambomen, die de relaties tussen de soorten duidelijk maken.
Voor wat betreft Europese hominiden kent men het mtDNA van Neanderthalers, Homo sapiens (moderne mensenà en dat van de de Denisovans, een soort waarvan slechts weinig fossielen zijn bekend, die leefde in Siberië ca. 30 000 tot 50 000 jaar geleden. Deze soort heeft tot op heden geen wetenschappelijke naam. Uit eerdere analyses bleek al dat Homo sapiens en Neanderthalers DNA hebben uitgewisseld in Azië en Europa, met andere woorden, leden van deze soorten hadden in het verleden seks met elkaar. Er is ook kruising tussen de Denisovans en Neanderthalers en tussen Denisovans en de voorouders van menselijke populaties in Oceanië. Men schat dat de splitsing tussen Homo sapiens en Neanderthalers ca. 500,000 jaar geleden plaatsvond; de splitsing tussen de gemeenschappelijke voorouder van Homo Sapiens, Homo neanderthalensis, en de Denisovans was ca. 1 miljoen jaar geleden. Zoals te zien is op de grafiek, zijn Homo sapiens en Homo neanderthalensis dus dichter aan elkaar verwant dan aan de Denisovans.

hominoide

Aangezien de beenderen uit Sima de los Huesos anatomische gelijkenissen vertonen met Neanderthalers, verwachtten de onderzoekers dat hun mtDNA het meeste zou lijken op dat van deze soort. Ze waren dus erg verrast toen bleek dat het Sima de los Huesos DNA meer leek op dat van de Denisovans dan op dat van de Neanderthalers, met een geschatte splitsing tussen beide soorten rond 700 000 jaar. Op de grafiek zijn de fylogenetische relaties tussen deze hominide soorten weergegeven. Deze resultaten kwamen totaal onverwacht aangezien de auteurs aannamen dat de Sima de los Huesos hominiden voorouders waren van de Neanderthalers.

Paleoantropologen denken nu dat het midden Pleistoceen, de periode waaruit de Sima de los Huesos beenderen dateren, lijkt op een Lord of the Rings wereld, met diverse menselijke soorten die tegelijk leefden, en ook in elkaars leefgebied verbleven. Meyer en collega's stellen diverse scenarios voor om hun onverwachte vondst te verklaren. De Sima de los Huesos hominiden zouden een aparte groep kunnen zijn, sterk verschillend van Neanderthaler en Homo sapiens, die nadien genetisch materiaal doorgaf aan de Denisovans. Hoewel dit niet onmogelijk is, verklaart dit scenario niet waarom de Sima de los Huesos hominiden sterke anatomische gelijkenissen vertonen met Neanderthalers. Een ander scenario stelt dat de Sima de los Huesos hominiden verwant zijn aan een populatie die aan de basis ligt van zowel Neanderthalers (en Homo sapiens) en de Denisovans. Dit lijkt plausibel, en komt overeen met de vondst van oudere fossielen in Zuid-Europa (ca. 800 000 jaar oud, Homo antecessor), maar dan moet wel worden verklaard waarom het mtDNA van de Neanderthalers zo sterk verschilde van dat van de Denisovans. Wat ook mogelijk is, is dat een tot nog toe onbekende menselijke populatie genetisch materiaal van de Denisovans introduceerde in de Sima de los Huesos hominiden.

De vondst, net als andere resultaten van oud DNA, dwingt paleoantropologen om hun modellen opnieuw te bekijken. Dit zal vermoedelijk leiden tot nieuwe theoretische modellen waarin de huidige resultaten passen.

Richard Dawkins: de usual suspect

Koen Tanghe

De Britse pers heeft een vette kluif aan de combattieve en soms arrogant overkomende auteur van The Selfish Gene en The God Delusion. Om maar een voorbeeld te geven: de titel van Charles Moores recente bespreking van Dawkins’ autobiografie in The Telegraph is ‘How dare God disagree with Richard Dawkins’. Het sfeertje dat daar rond Dawkins hangt, verklaart misschien de manier waarop Marc Reynebeau hem portretteert in zijn column in De Standaard van woensdag 25 september 2013 (‘Cultuur, de usual suspect’). De aanleiding is het bericht dat de Russische ombudsman voor kinderen zich verzet tegen seksuele voorlichting met het dubieuze argument dat Russische jongeren alles wat ze moeten weten over liefde en seks kunnen vinden in de Russische literatuur. Het inspireert Reynebeau tot een lichtvoetige tirade over hoe slecht de literatuur en de kunst wel behandeld wordt: van ongewilde reclame en sluipende commercialisering tot open onverschilligheid. Anderzijds is het wel zo dat iedereen weliswaar moppert over het artistiek-culturele bastion, maar er toch ook deel wil van uitmaken, al was het maar om prestige redenen.

Om die paradox te staven, verwijst Reynebeau onder meer naar een recent interview met Dawkins in The New York Times (‘By the book’, zondag 15 september 2013). Dawkins, die onlangs in een poll van Prospect magazine uitgeroepen werd tot de meest toonaangevende denker van de wereld, zou enerzijds tot de cultuurbarbaren behoren: hij laat, zo wil Reynebeau ons doen geloven, romans links liggen omdat ze gaan over ‘dingen die niet gebeurd zijn’. Dit verklaart dan weer, dixit Reynebeau, waarom het hem koud laat ‘wie met wie trouwt’ in Pride and Prejudice van Jane Austen. Anderzijds oppert diezelfde Dawkins echter ook dat de Nobelprijs literatuur wel eens aan een wetenschapper gegeven zou mogen worden in plaats van aan een romanschrijver. Dit kan alleen betekenen dat “hij de notie literatuur hoog inschat (dan toch?) en gesteld is op het prestige die ze uitstraalt, hoe vaak de literaire praktijk ook als elitair of, in Dawkins’ perceptie, als irrelevant wordt verketterd.”

Dawkins heeft een patent op krasse uitspraken en persoonlijke verwijten. Baron Rees van Ludlow, ook bekend als Martin Rees, de kosmoloog en astrofysicus, gewezen President van de Royal Society en fervent maar niet-religieus ‘gelover in geloof’ noemde hij, wegens zijn ‘geflirt’ met de religieuze John Templeton Foundation, een inschikkelijke ‘quisling’ (iemand in een hoge positie die verraad pleegt aan wat hem is toevertrouwd). Michael Ruse vergeleek hij ooit zelfs met Neville Chamberlain. Sommige van zijn critici, zoals de theoloog Alister McGrath, beschuldigde hij ervan een carrière uit te bouwen op zijn rug. Hij had het in dit verband over vlooien (naar Yeats’ vers “Was there ever dog that praised his fleas?”) en parasitaire boeken. Zijn website richarddawkins.net wijdde er ooit een rubriek aan: This Week’s Flea. Nadat hij in 1999 over zichzelf zei dat hij een pitbull terriër is die losgelaten werd in de arena om religieuze mensen aan te vallen, wordt hij wel eens Darwins pitbull genoemd, naar analogie van Thomas Huxley, Darwins bulldog. De gelijkenis gaat zelfs nog verder: Huxley stond, omwille van zijn strijd tegen het christendom en zijn pogingen om de morele en spirituele autoriteit van de Kerk over te nemen, bekend als ‘Pope Huxley’. Het is het equivalent van ‘God Dawkins’.

Dat Dawkins wel eens persoonlijke kritiek te verduren krijgt, is dus wellicht niet meer dan normaal. Het salvootje dat Reynebeau afvuurt, is echter totaal misplaatst. Zeker, Dawkins lijkt een voorkeur te hebben voor non-fictie en ik kan me inbeelden dat zijn retorische vraag waarom we, Nobelprijsgewijs, een voorkeur zouden moeten hebben voor literatuur die over zaken gaat die niet gebeurd zijn sommigen in het verkeerde keelgat schiet. Maar dat is Dawkins - een meester in retoriek - ten voeten uit. Uit het interview blijkt verder dat hij fictie wel degelijk waardeert. Pride and Prejudice moge dan wel een tegenvaller geweest zijn, dat was niet te wijten aan het feit dat het fictie is. Hij is er bovendien niet trots op dat hij maar weinig interesse kon opbrengen voor de vraag wie met wie gaat trouwen “en hoe rijk ze zijn.” Elspeth Huxley’s Red Strangers las hij meerdere malen, hij houdt van sociale satires en is, terecht, beschaamd dat hij nog altijd niet Tolstojs Oorlog en Vrede las.

In zijn boeken verwijst hij regelmatig naar romans en sciencefiction werken en in zijn autobiografie merkt hij op dat hij tot tranen toe bewogen kan worden door poëzie.
Het is overigens niet de eerste keer dat Dawkins de idee oppert dat wetenschappers in aanmerking zouden moeten kunnen komen voor de Nobelprijs literatuur. Als lid van de Royal Society of Literature en ontvanger van een aantal literaire onderscheidingen, waaronder, in 1987, de Royal Society of Literature Award, is het wellicht maar normaal dat hij zich afvraagt waarom hij, of een collega als Steven Pinker, niet de hoogste literaire onderscheiding kan krijgen. Qua schrijfstijl moet hij in elk geval niet onderdoen voor de grootste romanschrijvers.

Ook wat die Nobelprijs betreft, gaat Reynebeau dus wel erg kort door de bocht. Uit zijn opmerkingen blijkt dat hij wel degelijk het interview met Dawkins gelezen heeft. Daar ligt het dus niet aan. In een klassiek essay uit 1921 zei de Britse journalist en editor van de Manchester Guardian Charles P. Scott dat een krant in de eerste plaats accuraat verslag moet uitbrengen van de feiten: “comment is free, but facts are sacred.” Zelfs een redactioneel artikel moet vooral eerlijk blijven, vond hij. Een column is een en al uitdagende commentaar, maar ook in een column zouden de feiten heilig moeten zijn en zou de eerlijkheid voorop moeten staan.

Gaaf deels cranium van een miocene hominoide ontdekt in Yunnan, China

JI XuePing, JABLONSKI Nina, et al. - Chinese Science Bulletin, doi: 10.1007/s11434-013-6021-x

Tijdens het mioceen (ca. 23 tot 5.3 miljoen jaar geleden) kenden de mensapen een grote proliferatie, maar de meeste fossielen van mensapen uit die periode zijn tanden. Recent verscheen een beschrijving van een uitzonderlijk gaaf fossiel in het tijdschrift Chinese Science Bulletin, in een studie geschreven door XuePing Ji, Nina Jablonski en collega's. Het betreft een gedeelte van de schedel van een juveniele mensaap, voorlopig toegeschreven aan de soort Lufengpithecus lufengensis, gedateerd tot het late mioceen (7.2 tot 5.3 miljoen jaar oud). Lufengpithecus werd vaak gelinkt aan de orang oetan, maar dit is onwaarschijnlijk gegeven dit specimen en andere specimens. Lufengpithecus is vermoedelijk lid van een late groep mensapen in het late mioceen in Oost-Azië, niet dicht verwant met enige bestaande mensaapsoort.

hominoide

Eerste vogel 150 miljoen jaar oud

Pascal Godefroit, Andrea Cau, Hu Dong-Yu, François Escuillié, Wu Wenhao, & Gareth Dyke - http://www.nature.com/nature/journal/vaop/ncurrent/full/nature12168.html

Een fossiel uit het Jura-tijdperk uit een Chinees museum zou de oudste echte vogel kunnen zijn. Het specimen, Aurornis xui, werd ontdekt door een boer, maar was eerst niet geïdentificeerd als een vroege vogel. Pascal Godefroit (KBIN) bestudeerde het fossiel in het museum in het Fossiel en Geologie park te Yizhou. Het dier leefde ongeveer 150 miljoen jaar geleden, had scherpe tanden, lange benen, veren, en was ongeveer een halve meter lang (gemeten van de bek tot de staartpunt).

vogel

Vermoedelijk kon deze vogel niet vliegen, maar gebruikte hij zijn vleugels om van tak tot tak te glijden. De meer bekende Archaeopteryx had daarentegen meer ontwikkelde vleugels.
Niet iedereen is overtuigd van het statuut van Aurornis xui als vroege vogel. Sommige paleontologen, zoals Luis Chiappe (Natuurhistorisch Museum Los Angeles, California) menen dat enkel Archaeopteryx dit statuut verdient, en dat Aurornis xui enkel een transitioneel fossiel is tussen dinosaurussen en vogels. Hoe dan ook werpt de ontdekking van dit fossiel nieuw licht op de de evolutie van de vogels.

De auteurs van deze studie hebben aan de hand van een analyse van dit fossiel en andere vogelachtigen uit het Jura en Krijt tijdperk een nieuwe fylogenie van de vogels opgesteld. Recent werd Archaeopteryx geklasseerd als een vogelachtige dinosaurus, maar niet langer als voorouder van de huidige vogels. Dit zou betekenen dat karakteristieke eigenschappen van vogels, zoals veren en vleugels, minstens twee keer onafhankelijk van elkaar geëvolueerd waren. De huidige heranalyse toont echter aan dat de vogelachtige fossielen uit het Jura en Krijt tijdperk wel degelijk aan elkaar verwant zijn. Als dit correct is, zijn vogel-specifieke fenotypische kenmerken slechts éénmaal geëvolueerd, en is Archaeopteryx wel degelijk een voorouder van de huidige vogels.
Het fossiel wordt beschreven in Nature: http://www.nature.com/nature/journal/vaop/ncurrent/full/nature12168.html

Fascinerend Leven. Markante figuren en ideeën uit de geschiedenis van de biologie

Lien Van Speybroeck & Johan Braeckman - http://www.academiapress.be/fascinerend-leven.html

Zopas verschenen: Lien Van Speybroeck & Johan Braeckman (red.): Fascinerend Leven. Markante figuren en ideeën uit de geschiedenis van de biologie. (Academia Press, Gent, 2013). Het boek bevat ruim twintig bijdragen van twintig Vlaamse en Nederlandse experts over het leven en werk van Aristoteles, Galenus, Albertus Magnus, Harvey, Descartes, Swammerdam, Buffon, Mendel, Darwin en vele anderen. Ook de twintigste eeuw komt aan bod met hoofdstukken over onder meer Rachel Carson, Francis Crick en Jane Goodall.
Meer info over het boek: http://www.academiapress.be/fascinerend-leven.html

Reconstructie van prehistorisch DNA weerlegt kritiek op evolutietheorie

Karin Voordeckers et al. - PLoS Biology: http://www.plosbiology.org/article/info%3Adoi%2F10.1371%2Fjournal.pbio.1001446

​Wetenschappers van VIB, KU Leuven, UGent en Harvard zijn erin geslaagd om DNA en eiwitten van prehistorische gistcellen te reconstrueren. Zo konden ze nagaan hoe genen ontstaan en gedurende meer dan 100 miljoen jaar evolueerden naar hun huidige vorm.

Kevin Verstrepen (VIB/KU Leuven): “Deze resultaten geven een antwoord op een vaak gebruikt argument van tegenstanders van de evolutietheorie: dat de kans op het ontstaan van een nieuwe eigenschap, en dus een werkzaam nieuw stuk DNA, vergelijkbaar is met de kans dat een moderne jumbojet zich spontaan zou assembleren uit een paar brokstukken… Veel wetenschappers stelden voor dat nieuw functioneel DNA niet uit het niets ontstaat, maar geleidelijk wordt gebouwd uit een kopie van een reeds bestaand stukje functioneel DNA. Door de reconstructie van een stukje prehistorisch DNA dat verschillende keren tijdens de evolutie gekopieerd was, konden we de veranderingen bestuderen die geleidelijk tot nieuwe functies leiden.”

Eigenschappen uit het niets
Een belangrijke onbeantwoorde vraag in Darwins evolutietheorie is hoe nieuwe eigenschappen schijnbaar uit het niets kunnen opduiken. Zulke innovaties lijken tegenstrijdig met het principe van geleidelijke verandering, waarbij bestaande eigenschappen traag evolueren naar een andere vorm. Toch weten we dat er tijdens de evolutie van het leven heel wat "uitvindingen" gebeurden.

We weten niet goed welke processen aan de basis liggen van deze ‘evolutionaire innovatie’. Eén van de grootste problemen is dat er nagenoeg geen prehistorisch DNA en eiwitten bewaard zijn, zodat men niet kan onderzoeken hoe deze oude exemplaren verschillen van de hedendaagse versies. Dat is vooral jammer omdat we nog steeds niet in detail begrijpen hoe nieuwe stukken DNA en eiwitten ontstaan zijn.

Prehistorisch DNA en eiwitten nabouwen
Door een combinatie van de nieuwste technieken in de biologie konden de Leuvense VIB-onderzoekers Karin Voordeckers, Chris Brown en Kevin Verstrepen, in samenwerking met Steven Maere (VIB/UGent) het DNA en de eiwitten van voorhistorische gistcellen nabouwen.

Steven Maere: “Uit tientallen DNA-codes hebben we via complexe algoritmes de oude DNA-code kunnen voorspellen. Deze stukjes prehistorisch DNA hebben we nagebouwd om zo de overeenkomstige oude eiwitten aan te maken.”

Karin Voordeckers: “We hebben heel specifiek gezocht naar hoe gisten zich hebben aangepast om verschillende suikers af te kunnen breken. We vonden dat het oer-gen voor het eiwit dat instaat voor de vertering van maltose, een suiker in graan, tijdens de evolutie een aantal keer gekopieerd werd. Het DNA van sommige kopieën is lichtjes gewijzigd, waardoor nieuwe eiwitten ontstonden die andere suikers kunnen afbreken. Door deze veranderingen te modelleren in de overeenkomstige eiwitten begrijpen we nu hoe slechts enkele wijzigingen in het DNA konden leiden tot de ontwikkeling van nieuwe activiteiten in deze eiwitten.”

De wetenschappers denken dat dit soort verdubbelingen van het DNA heel vaak aan de basis liggen van het ontstaan van schijnbaar "nieuwe" eiwitten. Of, anders gezegd: de jumbojet wordt geleidelijk gebouwd uit een kopie van een reeds bestaand vliegtuig.

Publicatie:Het artikel werd geschreven door Karin Voordeckers, Chris A. Brown, Kevin J. Verstrepen en anderen. Het verscheen in PLoS Biology, en kan gratis worden gedownload via de volgende link: http://www.plosbiology.org/article/info%3Adoi%2F10.1371%2Fjournal.pbio.1...

Wallace online toont minder bekend werk van Wallace

Johan De Smedt - http://wallace-online.org/

Na het complete werk van Darwin, kan men nu ook het complete oeuvre van Alfred Russel Wallace online raadplegen, dit op http://wallace-online.org/
In deze online collectie kan men duidelijk zien hoe veelzijdig en innovatief het werk van Wallace was. Zo was hij bijvoorbeeld een pionier van de astrobiologie, de wetenschappelijke studie van condities die leven zouden mogelijk maken op andere planeten. Hij introduceerde dit concept in zijn boek Man's place in the Universe (1903). Later publiceerde hij Is Mars habitable? (1907), een kritiek op de toen populaire theorie over de kanalen van Mars, die zouden duiden op intelligent leven op Mars. Wallace gebruikte wiskundige methodes om aan te geven dat de oppervlaktetemperatuur van Mars te koud was voor water in vloeibare vorm.
Wallace maakte ook een blijvende impact op biogeografie, de studie van de geografische verspreiding van soorten, dankzij zijn nauwkeurige observaties. De Lijn van Wallace, een denkbeeldige lijn tussen Wallacea en Azië, geeft aan tot waar buideldieren voorkomen. Aangezien platentectoniek eerst in de 2de helft van de 20ste eeuw ontdekt werd, kon Wallace geen goede verklaring geven voor dit fenomeen.
Andere contributies maakte hij op het gebied van seksuele selectietheorie (waar hij argumenteerde dat ornamenten, zoals pauwenstaarten, een signaal zijn voor hogere fitness), en in de paleoclimatologie, waar hij onderzocht wat het effect was van klimaat op natuurlijke selectie. Hieruit blijkt dat Wallace niet enkel de mede-ontdekker was van evolutietheorie, maar, net als Darwin, een brede interesse had in diverse domeinen, en een grote impact had op het huidige biologische denken.

Nieuwe hominide soort ontdekt in zuidwest China

Darren Curnoe et al. 2012 PloS ONE 7(3): e31918

Een recente vondst van fossielen in zuidwest China wijst mogelijk op een nog niet eerder beschreven uitgestorven hominide (menselijke) soort. De vondst, die wordt beschreven in het open access tijdschrift Plos ONE beschrijft hominide fossielen gevonden in de edelhertgrot, Maludong, zuidwest China, die ca. 14000 à 11 000 jaar oud zijn.

zebra

Zoals te zien is op de afbeelding, vertonen zij vertonen een unieke morfologie, die sterk afwijkt van de variatie die we zien in Homo sapiens. Opvallend in de schedel zijn de prognatie (gezicht steekt vooruit ten opzichte van het voorhoofd), de zware wenkbrauwbogen en de sterk uitstekende kaakbeenderen.
Indien de interpretatie van de archeologen, Darren Curnoe en collega's correct is, betreft het een nieuwe soort. Deze soort is nog recenter dan Homo floresiensis, de Indonesische dwerghominiden die tussen de 90 000 en 16 000 jaar oud zijn. De eerdere vondst van de denisovans, hominiden met een DNA-profiel dat afwijkt van Neanderthalers en Homo sapiens van ca. 40 000 jaar oud doet vermoeden dat er ten tijde van het late pleistoceen diverse hominiden bestonden. De aanwezigheid van denisovan en neanderthaler DNA in het menselijke genoom toont ook aan dat er een beperkte vorm van genetische vermenging heeft plaatsgevonden tussen die ancestrale hominide soorten.
Niet alle paleoantropologen zijn evenwel overtuigd. Erik Trinkaus meent dat de morfologie kan worden geplaatst in robuuste, vroege Homo sapiens: hij stelt dat er een continuïteit is tussen de zuid-Chinese fossielen en latere Melanesische (Oceanische) groepen. Ook Philipp Gunz is niet overtuigd: de ongewone morfologie toont volgens hem gewoon aan dat vroege Homo sapiens heel divers was. Er worden momenteel pogingen gedaan om DNA te extraheren uit de Chinese fossielen. Indien dit succesvol is, zou dit ons veel kunnen leren over menselijke evolutie.
De recente vondsten van menselijke fossielen is te danken aan een groei in de niet-Europese archeologie: het is redelijk om aan te nemen dat in China nog veel verrassingen verborgen liggen.
Het artikel kan hier worden geraadpleegd: http://www.plosone.org/article/info%3Adoi%2F10.1371%2Fjournal.pone.00319...

Waarom hebben zebra's strepen?

Ádám Egri et al., The Journal of Experimental Biology (2012) 215, 736-745 doi:10.1242/jeb.065540

Embryologisch onderzoek heeft uitgewezen dat zebra's in feite zwart zijn, en de witte strepen en onderbuik pas tot ontwikkeling komt in een later stadium van de embryonale ontwikkeling. Alfred Wallace meende dat de strepen dienden om de dieren te camoufleren in het hoge gras. Darwin was echter kritisch: zebra's leven immers niet in gebieden met dichte vegetatie, maar treft men eerder aan in savanne landschappen met eerder kort gras, waar de strepen weinig camouflage bieden. Andere verklaringen in de loop van de 19de eeuw waren onder meer seksuele selectie (strepen als een indicator van fysieke conditie), sociale herkenning, bescherming tegen tsetse vliegen en verdediging tegen roofdieren. Geen van deze hypotheses kon worden bevestigd in experimenteel onderzoek, behalve de bescherming tegen tsetse vliegen.

zebra

Om te testen of de strepen inderdaad bescherming bieden tegen parasieten maakten Adam Egri en collega's onder meer modellen van paarden met verschillende kleuren, waaronder gestipte, gestreepte en effen modellen. De modellen waren met lijm bekleed zodat kon worden geteld waar dazen een groep bloedzuigende insecten, het meeste neerstreken. Hieruit bleek dat modellen die effen donker waren de meeste dazen te verduren kregen, terwijl de gestreepte modellen het minst werden belaagd. De reden is de polarisatie van het licht: door de verticale strepen kan het licht niet optimaal reflecteren in het visuele veld van bloedzuigende insecten, waardoor zebra's minder opvallen. Mutaties die het streeppatroon veroorzaakten werden dus vermoedelijk door natuurlijke selectie bevoordeeld. Bloedzuigende parasieten zijn immers een bron van infecties en hinder.